HOOFDSTUK 36 @BRK#Cassandra haastte zich de binnenplaats over en stormde de donjon in. Ze hield de deur open en gebaarde haar mannen het gebouw in, terwijl ze intussen nauwkeurig het poortgebouw in de gaten hield. Ze hoorde dat er daar gevochten werd. Ze wist dat haar mannen met z’n zessen het valhek en de ophaalbrug in de gaten hielden, maar nu moesten ze plotseling voor hun leven vechten en proberen een hele groep vijandelijke manschappen tegen te houden. Die confrontatie kon maar op één manier aflopen. De verdedigers waren hopeloos in de minderheid, en nu waren ze ook nog eens de bescherming kwijt van de onneembare muren van kasteel Araluen. Hun kansloze strijd kon Cassandra en de rest van het uitgedunde garnizoen wel net genoeg tijd bieden om zich in veiligheid te brengen. De manschappen in de barakken waren inmiddels door de rinkelende alarmbel gewaarschuwd, en ze haastten zich nu over de binnenplaats naar de donjon toe. Nadat ze al haar nog overgebleven mannen de toren in had gedirigeerd trok Cassandra de deur dicht en gebaarde ze naar twee van hen dat ze de afsluitbalk ervoor moesten schuiven. De sergeant en een andere soldaat legden de zware balk in de beugels. Die blokkade zou eventuele achtervolgers wel een tijdje bezighouden, want ze moesten eerst iets zoeken waarmee ze de deur open konden rammen en er dan nog op in beuken tot de afsluitbalk het begaf. De donjon was het administratieve centrum van het kasteel, en ook de plek waar gewoond werd. Hij was niet ontworpen als verdediging tegen vijandelijke eenheden. De zuidelijke toren moest voor bescherming zorgen. Cassandra wees op twee soldaten die verward om zich heen keken en de gebeurtenissen duidelijk met grote zorg registreerden. ‘Jullie daar,’ zei ze, en de mannen schoten in de houding. ‘Haal mijn vader uit zijn kamer en breng hem naar de zuidelijke toren. Zo snel mogelijk!’ ‘Jawel, vrouwe!’ zeiden de twee in koor. Nu ze een duidelijk omschreven taak hadden verdween hun onzekerheid als sneeuw voor de zon. Ze holden naar de trap. Duncan lag in een kamer op de vierde verdieping. Ze konden hem daarvandaan via de stenen boogbrug naar de zuidelijke toren overplaatsen, en van daar dan verder naar boven brengen. Enkele van de nog resterende bedienden hadden zich bij Cassandra en haar manschappen gevoegd. Ze keken onzeker om zich heen, want ze begrepen niet goed wat er aan de hand was. Een van hen was Ingrid, Maddies hofdame. Cassandra riep haar bij zich. ‘Haal mijn dochter op!’ Ingrid schudde haar hoofd en keek Cassandra bezorgd aan. ‘Ik ben net in haar kamer geweest, maar daar is ze niet,’ zei ze. ‘Er lagen een paar kussens onder haar deken, zodat het leek alsof ze in bed lag. Ik denk dat ze weer buiten het kasteel aan het patrouilleren was.’ Ingrid was een van de weinigen die wist dat Maddie de opleiding tot Grijze Jager volgde en ze wist dat ze ’s nachts het kasteel uit ging. Ze wist alleen niet waarom. En ook niet hoe ze naar buiten ging en weer terugkeerde. Als hofdame was het niet aan haar om daar vragen over te stellen en ze wist dat Maddie er heel goed in was om zich ongezien van de ene plek naar de andere te verplaatsen. Cassandra aarzelde. Eerst schrok ze zich een ongeluk van het bericht dat haar dochter weg was, maar daarna besefte ze dat Maddie buiten het kasteel waarschijnlijk veiliger was dan erin. Ze nam een besluit. ‘Ga met de anderen mee naar de vierde verdieping. We trekken ons terug in de zuidelijke toren.’ Ingrid knikte en haastte zich weg. Het was duidelijk te zien dat ze zich nog steeds zorgen om haar meesteres maakte. Cassandra hoorde mannen op de gebarricadeerde deur bonken. Ze probeerden de deur te forceren. Voorlopig hadden ze daar aan de andere kant alleen nog maar handwapens – zwaarden en strijdbijlen – waarmee ze tegen de met ijzer beslagen eikenhouten deur weinig konden beginnen. Maar ze begreep wel dat het niet lang zou duren voordat ze iets vonden waarmee ze de deur open konden rammen. En ja hoor, daar hoorde ze aan de andere kant van de deur al een stem. ‘Jullie vieren! Pak die bank en breng hem hierheen. Deze deur moet gesloopt worden.’ Het was Dimon. Buiten stond tegen de muur een zware eikenhouten bank, wist ze. Die kon inderdaad heel goed als ram dienen. Daar zou de deur niet lang tegen bestand zijn. Het bonken van vuisten, bijlen en zwaarden op de deur stierf weg. Even later hoorde ze ritmisch rennende voetstappen, gevolgd door een enorme dreun van iets zwaars tegen de deur. Door de klap spatten stukken pleisterwerk van de muur om de deur heen naar beneden. Meteen daarna hoorde ze Dimon weer. ‘Klaar? Een, twee, drie!’ BENG! Weer beukte de zware bank tegen de deur. Opnieuw lieten stukken pleisterwerk los van de lateibalk. Dit keer zag Cassandra ook een van de zware ijzeren scharnieren van de deur een paar centimeter meegeven. Ze voelde een hand op haar onderarm. Het was Maikeru. ‘We moeten hier weg. Die deur zal het niet lang meer houden.’ Ze merkte dat ze helemaal in de ban van die deur was geraakt en dat ze even was vergeten wat er allemaal moest gebeuren. Maikeru had gelijk. Dit ging niet lang meer duren. BENG! Weer een zware klap. En de scharnieren bewogen nu allebei een flink stuk mee. Er vormden zich nu ook de eerste barsten in de stenen waar de deurpost met zware bouten in was vastgemaakt. Van de vier scharnieren hadden er nu twee beweging vertoond, maar dat betekende dat de andere twee het ook niet lang meer zouden houden. Ze draaide zich om en telde snel hoeveel man ze in de donjon had weten te krijgen. Het waren er twaalf en ze wachtten op haar opdrachten. Ze wees naar de trap. ‘Vierde verdieping!’ riep ze. ‘En dan over de brug naar de zuidelijke toren!’ BENG! De bank bonkte weer tegen de deur aan. Het geluid weergalmde door de grote entreehal van de donjon. Langer wachten had geen zin en ze ging haar manschappen voor naar de brede trap omhoog. In de toren waren de trappen niet ontworpen om te worden verdedigd. Ze waren breed en makkelijk toegankelijk, en ze lagen centraal in het gebouw. In de zuidelijke toren zouden ze via de wenteltrap in de zuidoostelijke hoek verder naar boven gaan. Om achtervolgers te vertragen kon die trap bovendien op verschillende plaatsen worden weggeklapt. Terwijl ze zich omhoog haastten werd het geluid van de klappen op de deur minder, maar zelfs op de vierde verdieping was het nog hoorbaar. Daardoor hoorden ze even later ook het geluid van versplinterend hout, waaruit bleek dat het ze gelukt was de deur open te breken. ‘Doorlopen!’ riep ze tegen de mannen die achter haar aan kwamen, en ze wees in de richting van de boogbrug naar de zuidelijke toren. Ze controleerde of ze deden wat ze had opgedragen en haastte zich gauw naar haar eigen vertrek. Ze propte gehaast wat kleren in een tas en griste ook haar katana mee. Ze stopte het wapen in de gelakte schede zo onder haar riem dat het lange handvat precies bij haar rechterhand zat. Haar slinger lag netjes opgerold op haar bureau. Ze maakte die ook onder haar riem vast, aan de kant tegenover het zwaard. Het leren buideltje loden kogels dat ook op haar bureau lag sloeg ze over haar schouder. Daarna wierp ze een laatste blik door het vertrek. Ze had te veel bezittingen en te weinig tijd om eruit te kiezen, besloot ze. Ze haalde haar schouders op en haastte zich naar de deur die naar de brug leidde. Maikeru en de sergeant stonden daar nog op haar te wachten. Van Maikeru was zoals zo vaak geen enkele emotie af te lezen, maar de sergeant was zenuwachtig – en Cassandra begreep dat hij zich zorgen maakte om haar veiligheid. Ze gebaarde dat ze haar voor moesten gaan, waarna ze zelf ook – met tegenzin – richting de brug naar de zuidelijke toren liep. Ze glimlachte weemoedig naar Maikeru. ‘Na u, sensei’ – het Nihon-Ja-woord voor leraar. Hij schudde zijn hoofd. ‘U eerst, vrouwe. Keizer Shigeru heeft me opgedragen over uw veiligheid te waken.’ Ze wilde antwoorden, maar vanaf de brede trap onderbrak een andere stem haar. ‘Cassandra! Blijf staan!’ Ze draaide zich om en zag tot haar schrik dat Dimon al boven was. Zijn zwaard zag rood van het bloed en er zaten ook bloedvlekken op zijn wambuis. Hij zette net de laatste paar stappen de trap op. Ze had zich vastgeklampt aan de hoop dat de man die even eerder over de ophaalbrug was komen rijden misschien toch iemand anders was, en dat ze toch niet was verraden door de kapitein van haar garde. Nu vervloog ook dat laatste kleine beetje hoop. Maikeru stelde zich tussen Cassandra en de verrader op. Hij trok, met het fluistergeluid van staal op hout, zijn katana uit de schede. Ze trok zelf ook haar zwaard en deed een stap opzij, zodat ze Dimon goed kon zien. Hij stopte op vijf meter afstand van hen. De oude zwaardmeester uit Nihon-Ja baarde hem zorgen. Hij keek achterom en zag twee van zijn mannen de trap op komen. ‘Dimon,’ zei ze met een bedroefde stem. ‘Wat ben je aan het doen? En vooral: waarom?’ Zijn ogen waren koud. ‘Ik heb recht op de troon,’ zei hij boos. ‘Jouw familie heeft me jarenlang ontzegd waar ik vanwege mijn geboorte recht op heb. Jullie hebben de wet veranderd, zodat ook een vrouw de troon kon erven. Ik ben opzijgeschoven, en sinds ik hier ben, heb ik steeds voor jou moeten buigen, moeten glimlachen en moeten doen alsof alles in orde was. Ja, vrouwe, nee, vrouwe, kan ik iets voor u doen, vrouwe? Nou, tot hier en niet verder! Ik ben dat buigen en gehoorzamen aan jou en je dochter helemaal zat. Mijn legitieme aanspraak op de troon is genegeerd, terzijde geschoven, vertrapt.’ ‘Legitieme aanspraak? Je hebt helemaal geen legitieme aanspraak. Ik ben de legitieme erfgename, en daarna zal Maddie dat zijn.’ ‘Ik ben het enige mannelijke lid van de koninklijke familie! En dat betekent dat ik de enige legitieme erfgenaam ben!’ schreeuwde hij. Talloze jaren van frustratie en woede vonden plotseling een uitweg. ‘Ik ben weliswaar slechts verre familie, maar ik ben familie! En de enige man bovendien. De enige! Onze oude wet schreef voor dat ik de troonopvolger zou zijn. De kroon ging naar de eerstvolgende man in de familielijn.’ Ze spreidde haar handen uit onmacht. ‘Maar die wet is jaren geleden al ongedaan gemaakt. Mijn grootvader heeft hem veranderd.’ ‘En daar had hij geen enkel recht toe!’ schreeuwde Dimon. ‘Dat deed hij alleen maar om zijn eigen belangen te behartigen, om te zorgen dat de troon in handen van zijn naasten zou blijven. Zodat jij Duncan kon opvolgen.’ ‘Wat een onzin! Toen hij de wet veranderde was ik nog niet eens geboren. Hoe kon hij nou weten…’ Hij wuifde haar redenering met een woedend handgebaar weg. ‘Hij zorgde dat zijn naaste familie aan de macht zou blijven! Als Duncan een zoon had gekregen was er niks aan de hand geweest. Maar in het geval van een dochter…’ – hij wees met de punt van zijn zwaard in haar richting – ‘… jij dus, kon zijn bloedlijn ook op de troon blijven zitten. De wet dat er een man op de troon hoort was al honderden jaren oud, misschien zelfs al duizenden. Hij had het recht niet om die te veranderen. Het was een goede wet, een wet die de tand des tijds had doorstaan.’ ‘Het was een oneerlijke wet, en daarom is hij veranderd,’ antwoordde Cassandra, maar hij lachte haar vierkant in haar gezicht uit. ‘Ja, het is nogal logisch dat jij dat vindt! Het is in jouw eigen belang om dat te zeggen. Jij zou alles doen en zeggen om ervoor te zorgen dat die verwende dochter van jou straks ook aan de macht kan komen.’ Terwijl hij het over Maddie had gebaarde hij vaag naar de brug achter haar en Cassandra begreep dat hij geen idee had dat Maddie niet in het kasteel aanwezig was. Uit zijn woorden en dat gebaar maakte ze op dat hij dacht dat Maddie zich in haar gezelschap had bevonden en zich nu in de zuidelijke toren schuilhield. En ze realiseerde zich nog iets. Als hij Maddie al had verslagen, als hij haar al gevangen had genomen, of erger, dan had hij daar nu zijn mond niet over kunnen houden, dan had hij haar dochter gebruikt om haar tot overgave te dwingen. En dat besef vormde een eerste begin van een heel klein beetje hoop in haar hart. ‘Dus laat je zwaard zakken en geef je over,’ zei hij. ‘Ik zal zorgen dat je goed wordt behandeld.’ Ze lachte schamper. Daar trapte ze natuurlijk niet in. ‘Jij laat mij helemaal niet in leven,’ zei ze. ‘Als jij die troon wilt, moet je mij vermoorden. Je kunt het je niet veroorloven iemand in leven te laten die aanspraak op de troon kan maken.’ Zijn ogen vernauwden zich even en ze zag in zijn blik dat ze gelijk had. Hij zou haar vermoorden, en Madelyn ook, want dan stond niets hem meer in de weg om de troon te claimen. Plotseling drong er nog iets tot haar door. Niemand zou enig idee hebben dat hij de troon met geweld had overgenomen. De enige getuigen daarvan bevonden zich in het kasteel, en hij zou pas rusten als die allemaal dood waren. Hij kon alle ellende in de schoenen van de Clan van de Rode Vos schuiven en beweren dat hij ze verdreven had – maar dat het helaas te laat was geweest om Cassandra, Maddie en Duncan nog te redden. ‘U moet nu echt gaan,’ zei Maikeru zachtjes. ‘Ik reken wel af met deze schurk.’ Ze aarzelde. Maikeru had gelijk. Ze moest zich in de zuidelijke toren verschansen, nu het nog kon. Maar ze voelde ook woede opkomen. Ze wilde zelf degene zijn die met Dimon afrekende. Ze wilde voelen hoe haar zwaard een einde aan zijn leven maakte. ‘Uit de weg, oudje,’ zei Dimon. Zijn toon was minachtend, maar Cassandra zag dat hij geen stap in de richting van de zwaardmeester zette. Hij was behoedzaam tegenover Maikeru, want hij wist hoe snel en behendig die met zijn vlijmscherpe katana om kon gaan. Maikeru verloor de trouweloze gardecommandant geen seconde uit het oog. Zijn volgende woorden klonken opnieuw volstrekt emotieloos. ‘U moet nu echt gaan, vrouwe. Dit is de taak die de keizer mij meegaf toen hij mij naar u toe stuurde.’ Met tegenzin moest ze toegeven dat hij gelijk had. Ze stak haar zwaard weer in zijn schede, draaide zich om en liep de brug op. Ze keek nog een keer achterom. Maikeru was in het midden van de opgang naar de brug gaan staan, zodat er niemand langs kon. ‘Cassandra! Stop! Ik waarschuw je!’ riep Dimon. Zijn stem trilde van woede. ‘Een hond als jij heeft niet het recht op die toon tegen mijn meesteres te praten,’ zei Maikeru heel rustig. Zijn rust werkte op Dimon als een rode lap op een stier. Hij sprong woedend naar voren en begon wild op de zwaardmeester in te hakken. Maar hij stuitte slechts op de glinsterende katana. Het geharde blad ving Dimons zwaard rinkelend op en liet een diepe braam op het ijzer achter. Meteen duwde Maikeru het vijandelijke zwaard terzijde, waarna hij met zijn katana bliksemsnel de aanval overnam. Dimon wist de klap met zijn schild op te vangen, maar Maikeru liet die eerste aanval meteen volgen door een oogverblindende reeks linkse en rechts uithalen, allemaal op Dimons hoofd gericht. Een ervan raakte hem op zijn helm, waar het wapen met de uilenkop in één beweging vanaf werd geveegd. Dimon wankelde door de kracht van de klap en de volgende uithaal raakte hem in zijn schouder, net boven zijn schild. Hij ging door de maliënkolder heen, en even later werd daar het eerste bloed zichtbaar. Het was geen diepe wond, maar het gemak waarmee Maikeru door zijn verdediging heen drong zette Dimon wel aan het denken. Hij deed een paar passen opzij en gebaarde naar de mannen achter hem. ‘Maak hem af,’ gebood hij. De twee mannen kwamen naar voren, maar aarzelden. Maikeru was achteruitgelopen en stond nu op de brug, waar maar één aanvaller tegelijk zijn geluk kon beproeven. Een van de twee kwam naar voren, met de punt van zijn zwaard naar beneden gericht en langzaam draaiend. Hij sprong op Maikeru af en hoopte de oude man te verrassen. Zijn zwaard werd onmiddellijk afgeslagen, hij wankelde heel even en voor hij het wist gleed de katana langs zijn nek. Terwijl hij viel bleef er een verstikte kreet in zijn keel steken. Zijn metgezel zag het vol afschuw aan, en voordat hij begreep dat hij beter op iets anders kon letten viel Maikeru al aan. De dodelijke katana trof opnieuw doel en doorboorde zowel zijn maliënkolder als zijn lijf. Twee tellen later lag hij levenloos op de brug. Maikeru lachte verbeten naar Dimon. ‘Wilde je het nog een keer proberen?’ vroeg hij. Dimon keek wanhopig om zich heen. Meer van zijn mannen kwamen de trap op en twee van hen, zo zag hij, hadden een boog om hun schouders. ‘Jullie daar!’ riep hij. ‘Hier komen! Bogen in de aanslag!’ De twee mannen haastten zich naar hun leider toe en pakten intussen hun wapens. Maikeru bekeek de ontwikkeling met samengeknepen oogleden. Dit veranderde de zaak. Hij keek achterom en zag dat Cassandra vanaf de overkant van de brug naar hem stond te kijken. ‘U moet hier weg!’ riep hij haar toe. ‘Rennen!’ Met een zucht van verlichting zag hij haar de zuidelijke toren binnengaan en de zware deur achter zich dichttrekken. Zij was veilig, besefte hij. Hij had de taak uitgevoerd waarmee de keizer hem op reis had gestuurd. ‘Schiet hem neer!’ gebood Dimon, en hij wees met de punt van zijn zwaard op de tengere man die hun doorgang blokkeerde. De eerste boogschutter legde een pijl op, mikte en schoot. De pijl suisde nauwelijks zichtbaar op Maikeru af, maar hij sloeg het projectiel met zijn zwaard achteloos bij zich vandaan. Dimon zette grote ogen op. Zulke reflexen had hij nog nooit gezien. ‘Allebei tegelijk!’ gebood hij. De beide bogen vuurden vrijwel tegelijk een volgende pijl af. Maikeru wist de linker pijl met zijn zwaard weg te tikken, maar de andere raakte hem rechts, vol in zijn borst. Hij wankelde en viel strompelend tegen de balustrade van de brug. Hij hield zijn zwaard vast, maar de punt wees nu naar beneden. De twee mannen vuurden allebei nog een pijl af, en beide raakten Maikeru vol in zijn lijf. De oude zwaardmeester zakte tegen de stenen muur op zijn knieën, maar bleef zijn katana vastklemmen. Hij zag Dimon voorzichtig naar hem toe lopen. De verrader was voor Maikeru, bij wie het licht in de ogen snel minder werd, inmiddels alleen nog maar een vage schim. Maar Cassandra was voor het ogenblik veilig. Hij keek op naar de schaduw die zich over hem heen boog. ‘Je hebt verloren,’ zei hij zachtjes, en stierf.