HOOFDSTUK 34 @BRK#Bij de ingang van het dal hadden de Vossen een brede linie uitgezet. Elke derde of vierde man droeg een fakkel en het was goed te zien hoe de flakkerende lichtjes door het dal langzaam maar zeker omhoogkwamen. Die hele linie had als enige doel haar te vinden, begreep Maddie. Ze waren haar over het wildpad gevolgd, en terwijl zij naar een manier had gezocht om het dal weer uit te komen waren ze een flink stuk op haar ingelopen. Haar achtervolgers waren van hun paarden af gekomen en hadden de dieren voor het moment in het bos achtergelaten. Te voet kwamen ze nu gestaag steeds verder naar boven, op zoek naar elk klein spoortje dat ze had achtergelaten. Ze beet zenuwachtig op haar lip en probeerde een oplossing voor haar benarde situatie te bedenken. Met een beetje geluk zou het haar wel lukken om door het cordon heen te glippen. Het was donker, de bodem was moeilijk begaanbaar en stond vol struikgewas waarin ze zich schuil kon houden. Maar met Bumper lukte dat niet. Hem kon ze onmogelijk uit het zicht houden. Ze kwam tot een besluit. Ze liet zich uit het zadel glijden en klopte Bumper op zijn nek. Het paard keek haar even aan. ‘Je moet door de linie heen breken,’ legde ze uit. Hij schudde hooghartig zijn hoofd. Dat moet lukken. Stap maar weer op, dan gaan we. ‘Nee, jij alleen. Ik glip er te voet wel tussendoor. Als ze zien dat ik niet op je rug zit zullen ze jou verder niet lastigvallen.’ Bumper kraste ongemakkelijk met een voorvoet over de grond. Het idee om van elkaar te worden gescheiden sprak hem totaal niet aan. Hij beschouwde het als zijn taak om haar te beschermen. Maar ze wist zeker dat dit de veiligste manier was. Als ze recht op een linie gewapende mannen af stormden, terwijl die mannen ook nog eens op zo’n confrontatie voorbereid waren, was de kans veel te groot dat ze haar paard zouden verwonden of doden – en dat zij gevangen zou worden genomen. Als dat gebeurde kon niemand Cassandra voor de dreigende aanval op kasteel Araluen waarschuwen. En dat laatste beschouwde ze op dit moment als haar allerbelangrijkste taak. Als Bumper en zij van elkaar werden gescheiden, liepen ze allebei gevaar, maar dat gevaar was minder groot dan wanneer ze bij elkaar bleven. Bovendien kon Bumper voor de afleiding zorgen die misschien nodig was om haar door de linie heen te loodsen. Ze klopte hem liefdevol op zijn nek. ‘Neem maar van mij aan dat dit de verstandigste oplossing is,’ zei ze zachtjes. ‘Als je door de linie heen bent, moet je naar je vaste plek bij de ingang van de tunnel gaan. Daar zien we elkaar weer.’ Opnieuw schudde hij onrustig met zijn manen. Ze keek de berg af en zag dat de linie van fakkels alweer een stuk dichterbij was. Ze moesten aan het werk. Hoe smaller het dal was op de plek waar ze door de linie heen wilde, hoe dichter de mannen op elkaar liepen. Dan werd het alleen maar makkelijker voor ze om haar te zien. Ze gaf haar paard een tikje op zijn romp. ‘Op pad!’ gebood ze hem. Hij steigerde een beetje, tot zijn voorbenen een meter boven de grond waren, en ging er toen op een drafje vandoor. Hij koos voor een koers diagonaal links door het dal heen. ‘Brave jongen!’ fluisterde ze nog. Hij zou de aandacht van de mannen naar die kant van het dal afleiden, en dus sloeg ze haar mantel zo dicht mogelijk om zich heen en liep ze zo diep mogelijk gebukt naar rechts. Het struikgewas reikte tot heuphoogte en ze gleed er makkelijk doorheen. Door haar mantel was ze tegen de donkere achtergrond nauwelijks nog te zien. Doordat ze gebukt liep kwam alleen haar hoofd nog een stukje boven de struiken uit en ze begreep dat ze voor de naderende linie zo goed als onzichtbaar zou zijn. Ze hoorde geschrokken geschreeuw van de mannen die Bumper op zich af zagen komen. Als vanzelf ging alle aandacht naar het paard uit en begonnen de mannen het dier te omsingelen. Maddie besefte dat ze allemaal op Bumper letten en rende, zo hard als ze dat gebukt kon, naar de uitgang van het dal. ‘Laat maar! Het is alleen zijn paard!’ hoorde ze iemand roepen. Bumper kon ongehinderd verder draven en de mannen verspreidden zich weer. Daarna klonk er opnieuw geschreeuw, aanvankelijk verward. Eén stem, die van Dimon, schalde boven alle anderen uit. ‘Hij is nu dus te voet. Hij zal zich ergens boven in het dal proberen te verstoppen. Maar hij kan er niet uit. Stel de linie weer op en zoek verder!’ Ze besefte dat de mannen het gebied goed kenden. Uit Dimons woorden maakte ze op dat hij wist dat ze zich in een doodlopend dal bevonden en dat hun prooi daar dus ergens klem was gelopen. Het kwam echter niet bij hem op dat Maddie weer naar de achtervolgers toe was gelopen en door hun linie heen zou proberen te breken. Het hele koninkrijk telde hooguit een handvol mensen die een dergelijk gewaagde manoeuvre zouden aandurven en Dimon had geen idee dat ze op een Grijze Jager in opleiding joegen. De mannen verspreidden zich weer over de plek waar ze even eerder nog vlak op elkaar hadden gestaan toen Bumper aan was komen draven. Ze had gehoopt dat ze tegen de tijd dat ze naar hun posities terugkeerden al door hun linie heen zou zijn gebroken, maar ze begreep al snel dat ze daarvoor nog niet ver genoeg was gevorderd. Toen iedereen zich weer in de linie had opgesteld bleek ze hooguit twintig meter van de dichtstbijzijnde mannen verwijderd te zijn. Ze zag dat ze precies tussen twee mannen in zat en dat de zoekers steeds een meter of vijf uit elkaar liepen. Door een onregelmatigheid in de bodem zwenkten ze iets naar links en de man die het dichtstbij was zou nu op hooguit een meter bij haar langslopen. Absolute stilte en geen enkele beweging waren nu haar beste bondgenoten. Ze liet zich heel langzaam op de grond zakken, ging plat op haar buik liggen en trok haar mantel over zich heen. Het vervelende was dat de lage begroeiing rond de plek waar ze was gaan liggen een stuk minder dicht was dan elders. Ze bleef roerloos liggen, maar terwijl de dichtstbijzijnde man tussen het struikgewas door haar kant op banjerde, voelde ze zich verschrikkelijk kwetsbaar en vooral zichtbaar. Het was gelukkig niet een van de fakkeldragers, maar de man aan haar andere kant wel. Ze drukte haar gezicht bijna de aarde in toen ze het flakkerende licht steeds helderder zag worden en de mannen dichter- en dichterbij kwamen. Ze moesten haar nu toch wel zien? Ze kromp gevoelsmatig nog verder ineen, dwong zichzelf bewegingloos te blijven liggen en hoopte maar dat haar mantel met zijn onregelmatige grijze en groene patronen voor voldoende camouflage zou zorgen. Vertrouw op je mantel. De aloude Jagerswijsheid zong door haar hoofd. Ze was ervan overtuigd dat de mannen het bonken van haar hart konden horen. Er kraakte vlak naast haar hoofd een voet in de struiken. Meer dan een halve meter was die niet van haar vandaan geweest, gokte ze. En de man bleef stilstaan. Ze hoorde hem vloeken en daarna een klap van hand op huid, recht boven haar. ‘Wat is er?’ De stem kwam van rechts. Het was de fakkeldrager. ‘Een mug,’ zei de stem vlak boven haar. ‘Maar hij is dood,’ voegde hij eraan toe. ‘Knap gedaan, hoor.’ Het sarcasme droop van de reactie van de fakkeldrager af. ‘Zullen we dan nu weer verder gaan? We raken achterop.’ Ineens voelde Maddie een stekende pijn in haar linkerpols. De man stond er met zijn zware laars bovenop en drukte haar arm keihard in het gesteente op de grond. De pijn was zo plotseling en zo onverwacht dat ze het bijna uitschreeuwde en de neiging om haar hand weg te trekken nauwelijks kon onderdrukken. Haar gedachten gingen onmiddellijk terug naar een paar weken eerder, toen er bij haar toets iemand op haar hand was gaan staan. Ze beet op haar lip en wist de kreet die opwelde nog net op tijd in te slikken. Met al haar wilskracht lukte het haar om haar hand bewegingloos onder de laars te laten liggen. De man struikelde en vloekte weer. ‘Wat nou weer?’ De fakkeldrager begon zijn geduld met zijn slome en onhandige kameraad te verliezen. ‘Ik ging op een boomwortel staan,’ kreeg hij als antwoord. ‘Kun je mij met je fakkel heel even een beetje bijlichten?’ Maddie schrok zich een ongeluk bij die woorden. Nu zouden ze haar zeker vinden. De geïrriteerde reactie van de fakkeldrager was voor haar een pak van haar hart. ‘Waarom? Je bent er toch al op gaan staan. Waarom zou je er nu nog naar willen kijken? Schiet liever een beetje op. Je houdt iedereen op.’ ‘Ach, zeur niet zo,’ bromde de man die op haar hand stond. Maar hij tilde wel zijn voet op en liep weer verder. Het geluid van zijn laarzen op de takken en twijgjes en het ruisen van zijn benen door de struiken verwijderde zich langzaam bij haar vandaan. Met een gevoel van triomf besefte ze dat ze hun te slim af was geweest. De linie was haar gepasseerd. Ze bleef roerloos liggen en spitste haar oren. Het was goed mogelijk dat er achter de eerste linie aan nog meer mensen aan het zoeken waren. Maar die bleken er niet te zijn. Zo goed georganiseerd als de Grijze Jagers waren ze beslist niet. Het was een inderhaast samengesteld groepje en niemand van hen had er ooit van gehoord dat je een laatste man achter de rest aan kon laten komen. Toch bleef ze stil liggen, zodat ze steeds verder bij haar vandaan raakten. Hun stemmen werden steeds slechter hoorbaar – maar nog goed genoeg om te kunnen constateren dat de man die net op haar pols had gestaan steeds wel weer iets anders te zeuren had. Ze besefte dat ze geluk had gehad dat juist hij zo dicht bij haar in de buurt was gekomen. Hem interesseerde het niet erg of ze haar vonden, want hij was meer met zichzelf dan met de zoektocht bezig. Iemand die zijn taak wat serieuzer had opgevat had haar misschien wel gevonden. Nu moest ze het juiste moment kiezen om weer overeind te komen. De zoekende mannen zouden binnenkort wel het doodlopende einde van het dal bereiken en terugkeren, over terrein dat ze al onderzocht hadden. Het was zaak dan alvast een flink eind bij ze vandaan te zijn. Maar te snel was ook niet goed. Ze dwong zich om tot vijftig te tellen, kwam toen langzaam overeind, eerst tot op haar knieën zodat ze net boven de struiken om haar heen uitstak. Ze keek door het dal en zag dankzij de fakkels hoe ver de zoekende linie inmiddels weg was. Bergafwaarts naar links zag ze tussen de bomen meer fakkels. Die bewogen echter niet, en af en toe bewoog er iets groots en donkers voorlangs. Ze luisterde ingespannen en hoorde ook af en toe briesen en hoefgetrappel. Daar hadden ze blijkbaar de paarden gestald, en een paar mannen waren achtergebleven terwijl de rest op zoek was gegaan. Ze ging schuin naar rechts, voorovergebogen tussen het struikgewas zoals ze tijdens haar trainingen urenlang had moeten oefenen. Ze stond nog steeds strakgespannen, want ze verwachtte elk ogenblik dat iemand zou schreeuwen dat hij haar had gezien. Het kwam haar nu echter goed van pas dat ze zoveel op geluidloze voortbeweging had moeten oefenen. Ze glipte stilletjes tussen de steeds dichtere begroeiing aan de benedenkant van het dal door. Toen ze even achterom keek zag ze in de verte nog steeds de linie van de flakkerende fakkels intact. Ze hadden het hoogste punt van het dal bijna bereikt. Goed dat ik daar weg ben, dacht ze. Ze keek voor haar oriëntatie even naar de sterrenhemel en begon te rennen, tussen de bomen door in noordelijke richting. Ze zag dat de eerste voorzichtige stralen daglicht al aan de horizon verschenen. Ze had zin om zo hard mogelijk te hollen, maar besefte dat een gestaag tempo haar op de lange duur verder zou helpen. Vastberaden hield ze daarom hetzelfde tempo aan. Ze was aan een race tegen de tijd bezig. Achter haar hoorde ze iemand op een hoorn blazen. De Vossen hadden vast het einde van het dal bereikt, en omdat ze niemand hadden gevonden blies Dimon nu natuurlijk de aftocht. Niet veel later hoorde ze hoefgetrappel. Ze waren blijkbaar snel weer door het dal afgedaald, hadden hun paarden gepakt en reden nu naar het kasteel. Ze had geen schijn van kans om ze voor te blijven, daarom hield ze zich schuil terwijl ze met hun paarden voorbijgaloppeerden en in de verte weer verdwenen. Ze holde weer verder, vastbesloten de tunnel te bereiken voordat Dimon bij het kasteel was. Het duurde wel even voordat ze doorhad dat ze verdwaald was. Ze liep ergens tussen de bomen, maar ze kon de sterrenhemel niet meer zien. Maar ook als die wel zichtbaar was geweest had ze geen idee gehad waar ze zich bevond. Na haar ontsnapping uit de abdij had ze Bumper de vrijheid geboden om te gaan waar het hem goed dunkte. Hij had woest tussen de bomen door gezigzagd en daarna een alle kanten op slingerend wildpad gevolgd. Vaag had ze het gevoel dat de abdij ergens rechts van haar lag. Het leek haar het beste daar maar weer naartoe terug te gaan, want dan wist ze in elk geval weer welke kant ze op moest. Ze hield even stil om over haar volgende stap na te denken. Instinctief dacht ze dat het kasteel rechtdoor en iets naar links was, en ze was geneigd op dat gevoel af te gaan. Maar ze wist dat ze zich eerst beter moest oriënteren. Dat ze eerst naar een bekende plek en daarvandaan naar het kasteel moest gaan, en de enige plek die ze kon verzinnen was de abdij. Anders liep ze het risico doelloos rondjes in het bos te blijven lopen. Ze herinnerde zich ineens een grapje over een reiziger die in een dorp aan een oude boer de weg vroeg. ‘Nou,’ antwoordde de boer, ‘als ik daarnaartoe moest zou ik hier niet beginnen.’ In die situatie bevond zij zich nu ook. Om het kasteel te bereiken moest ze eerst een bekend punt terugvinden. Had ze Dimon en zijn mannen maar kunnen volgen toen ze te paard van het doodlopende dal terugkeerden. Zij kenden het gebied goed en zij zouden dus ook weten wat de snelste route naar kasteel Araluen was. ‘Met iets wensen komt het niet voor elkaar,’ zei ze. Het was een favoriete uitspraak van Will, die hem op zijn beurt weer van Halt had geleerd. Mistroostig ging ze naar rechts, op zoek naar de abdij. Het idee dat ze zojuist de race terug naar kasteel Araluen had verloren stemde haar buitengewoon moedeloos.