HOOFDSTUK 33 @BRK#In de abdij was het onder Maddie een enorme chaos. De Vossen holden allemaal naar de trap richting de galerij. Het leek ook wel alsof ineens iedereen tegelijk begon te schreeuwen. Dimon moest zich tot het uiterste inspannen om erbovenuit te komen. ‘Daarboven! Op de galerij! Pak hem!’ Tot haar afschuw besefte Maddie dat ze ingesloten was. Met al die mannen die de trap op probeerden te komen, kon ze onmogelijk bij de uitgang komen. Juist de haast van de Vossen zorgde dat ze nog een klein beetje tijd had. Ze stonden zich beneden te verdringen en realiseerden zich niet dat zo’n oude trap misschien niet meer zo heel stevig was. Toen zich vier man tegelijk op het gevaarte waagden weerklonk er een luid gekraak, en even later lagen ze allemaal weer beneden. Doordat er al meer mensen achter ze aan waren gekomen ontstond er aan de voet van de trap een hele kluwen van spartelende armen en benen. Na een tijdje nam een van de Vossen, die iets slimmer dan de rest bleek te zijn, het heft in handen. Hij duwde de spartelende mannen bij de trap vandaan, pakte zich vast aan de leuning en stapte over de twee doorgebroken treden heen. ‘Kalm aan!’ riep hij. ‘Eén tegelijk! En niet te snel!’ Maddie hoorde hoe de voetstappen op de trap nu wat minder chaotisch klonken en ze zocht om zich heen wanhopig naar een manier om te ontsnappen. Heel even overwoog ze om zichzelf langs de balustrade te laten zakken en daarvandaan naar beneden te springen, maar dat idee verwierp ze snel weer. Er stonden overal nog mannen paraat en ze zouden haar in een mum van tijd te pakken hebben. Het enige alternatief was het venster in de muur aan de andere kant van de galerij. Het was een glas-in-loodraam in verschillende kleuren die samen, als de zon er doorheen scheen, een geometrisch patroon op de vloer vormden. Nu er in de abdij licht brandde en het buiten donker was, zag het venster er zwart en ondoordringbaar uit. Ze wist dat de onderdelen van het raam met loden strips bijeen werden gehouden, maar het was een oud raam en ze hoopte maar dat dat lood een beetje makkelijk mee zou geven. Zo niet, dan zou ze lelijk gewond kunnen raken als ze erdoorheen probeerde te springen – wat haar plan was. Er was geen tijd om er verder nog over na te denken. Het was haar enige ontsnappingsroute en ze zag de eerste hoofden van bloeddorstige Vossen al boven de rand uitkomen waar de trap de galerij bereikte. Ze kwam overeind, sloeg haar mantel om zich heen en rende op volle snelheid naar het venster. Op het laatste moment trok ze haar hoofd in, sloeg ze er ter bescherming een arm en haar mantel voor en stortte ze zich met het hoofd vooruit op het midden van het raam. Ze hoorde nog vaag hoe de man die als eerste bovenkwam een waarschuwing naar zijn kameraden riep. En toen raakte ze het glas-in-loodraam. Zoals ze al had gehoopt, bleek het netwerk van loden strips die de ramen bijeenhielden oud en breekbaar. Onder luid gerinkel suisde ze dwars door het raam heen, met om zich heen overal lood- en glassplinters. De val van het raam naar beneden was drie meter hoog, en ze voelde hoe ze onderweg langzaam omsloeg. Ze trok haar hoofd in en draaide zich zo dat ze de grond als eerste met haar schouder raakte en daarna door weg te rollen de klap zo goed mogelijk kon opvangen. Toch was het nog een stevige dreun en het kostte haar wel een paar seconden om zich ervan te herstellen. Boven haar leunde de man die als eerste de trap op was gekomen uit het raam, en hij schreeuwde naar de mannen beneden dat ze haar moesten tegenhouden. Ze was vijf meter van de ingang van de abdij verwijderd en terwijl ze naar adem hapte om een beetje van de klap te herstellen stormden er vier mannen naar buiten. Ze aarzelden, want hun ogen waren na het heldere fakkellicht niet aan het donker gewend. Maar even later zag een van hen haar. ‘Daar is hij!’ De mannen stonden tussen haar en de plek waar ze Bumper had achtergelaten in, maar ze had geen keus. Ze draaide zich om en holde naar de achterkant van de abdij. De vier kwamen achter haar aan. Ze rende nu wel steeds verder bij haar paard vandaan, maar een alternatief was er niet. Terwijl ze aan de achterkant van de abdij om de hoek verdween hoorde ze de man bij het raam nieuwe instructies roepen, maar wat hij precies zei kon ze niet verstaan. Daarvoor maakten het suizen in haar oren en haar hijgerige ademhaling te veel lawaai. Ze leunde even tegen de stenen muur om op adem te komen en probeerde toen Bumper naar haar toe te fluiten. Maar haar mond was droog en haar ademhaling te onrustig, dus er kwam geen geluid uit. Op het moment dat er drie Vossen aan de andere kant de hoek om kwamen rennen begreep ze wat de man bij het raam had geroepen. Hij had aanwijzingen gegeven om haar de pas af te snijden. Overal om de abdij heen lag dichtbegroeid bos, en de strook tussen de kerk en de bomen was nergens breder dan een meter of twintig. Ze zat nu klem op een klein stukje open terrein van hooguit vijf meter breed, en er was geen enkele mogelijkheid om om de drie mannen heen te komen. Ze trok haar sax, vastbesloten om haar huid zo duur mogelijk te verkopen. Ze had niet de illusie dat ze de drie tegenover haar en de vier die haar achternazaten allemaal kon verslaan. De drie mannen die haar doorgang blokkeerden aarzelden heel even en stormden toen op haar af. Twee van hen hadden een zwaard, de derde een zware knuppel. Ze nam haar positie in en hield haar sax in de aanslag, maar ze begreep wel dat ze daar tegenover drie gewapende mannen niet ver mee zou komen. Hun armen waren langer én hun wapens waren langer. Ineens kwam er achter de mannen een groezelig gevaarte de hoek om denderen. De eerste van de drie hoorde het hoefgetrappel aankomen en wilde zich omdraaien, maar voordat hij wist wat er aan de hand was beukte Bumper met zijn schouder tegen hem aan en viel hij om. Het paard rekende op soortgelijke wijze met de tweede man af. De klap kwam daar zo hard aan dat de man na zijn val ook niet meer opstond. De overgebleven aanvaller was de man met de knuppel. Hij draaide zich om en hurkte zich, terwijl hij intussen wild naar het om hem heen dansende paard sloeg. Maar Bumper zag al snel zijn kans, maakte een mooie pirouette, zette zijn voorbenen op de grond en trapte de man met zijn achterbenen met één ferme klap knock-out. De klap kwam zo hard aan dat het slachtoffer als een lappenpop tegen de muur aan plofte en bewusteloos bleef liggen. Bumper was buitengewoon tevreden over zijn eigen optreden en kwam parmantig naar Maddie toe lopen. Ze stond hijgend en puffend tegen de muur op adem te komen. ‘Goed gedaan! Heel goed gedaan!’ kreunde ze toen hij naast haar kwam staan. Ze stak een hand uit en pakte de zadelknop, maar ze had nog even niet de kracht om op Bumpers rug te klimmen. ‘Daar heb je hem!’ Haar eerste vier achtervolgers kwamen de hoek om. Uit vrees voor een of andere hinderlaag waren ze niet al te dicht achter haar aan gekomen. Ze wisten dat hun strijdmakkers van de andere kant ook in aantocht waren. Nu ze haar tegen het gedrongen paard geleund zagen staan, kwamen ze met hernieuwde energie achter haar aan. ‘Rennen!’ gebood ze Bumper. Hij draaide zich om en sprintte weg zoals alleen Jagerspaarden dat konden. Ze hield zich aan de zadelknop vast en tilde haar voeten van de grond en zo, met Maddie hangend aan zijn zijkant, galoppeerde hij over de smalle strook tussen de abdij en het bos. Er doemden weer twee andere mannen voor ze op, maar zonder vaart te minderen bonkte het paard ze allebei opzij. Ze schreeuwden het uit van de verbazing en de pijn, en vielen toen languit op de grond. Meer Vossen overwogen om te proberen het paard tegen te houden, maar ze hadden gezien wat er met hun kameraden was gebeurd en hadden zelf weinig zin in zo’n behandeling. Ze sprongen daarom uit de weg en registreerden pas toen het te laat was dat hun prooi aan de zijkant van het paard hing, en zich wanhopig vastklampte aan het zadel. Ik zou maar eens gaan zitten. ‘Wat dacht je dat ik probeer?’ hijgde ze. Ze stelde zich in op zijn snelheid en het ritme van zijn bewegingen, liet haar voeten even de grond raken en zette zich met gebogen knieën af. Tegelijk trok ze zich aan haar armen omhoog. Ze kwam op zijn rug te liggen, klampte zich uit alle macht aan het zadel vast en uiteindelijk lukte het haar om een been aan beide kanten van zijn stevige lijf te krijgen. Ze vond met haar voeten de stijgbeugels en even later zat ze eindelijk in het zadel. De teugels kon ze zo gauw niet vinden, en dus hield ze zich maar aan een pluk van zijn manen vast. Intussen boog ze zich zo ver mogelijk naar voren, en zo galoppeerde Bumper de open ruimte rond de kerk af. Maddie registreerde nog vaag dat ze in zuidelijke richting reden – van kasteel Araluen vandaan. Daar was nu even niets aan te doen, want achter zich hoorde ze de stem van Dimon, die zijn mannen naar hun paarden en achter haar aan dirigeerde. We zien later wel hoe we het kasteel weer bereiken, dacht ze. Eerst maar eens die achtervolgers afschudden. Ze deed geen poging om Bumper te sturen. Ze had er alle vertrouwen in dat hij zich ook in het donker op volle snelheid een weg tussen de dichte begroeiing door zou weten te banen. Lage takken zwiepten tegen haar aan, soms zelfs recht in haar gezicht, en het enige wat ze ertegen kon doen was zich nog dieper over Bumpers nek te buigen. Ze klampte zich uit alle macht aan hem vast terwijl hij sneller galoppeerde dan zij hem zelfs overdag op het open veld zou durven laten gaan. Uiteindelijk kreeg ze de teugels te pakken. Ze had ze met de uiteinden aan elkaar losjes om zijn nek geknoopt. Ze hield ze niet te stevig vast, want ze had nu niets liever dan dat Bumper zijn eigen route koos. Hij hinnikte goedkeurend. Hou je maar vast. Ik red ons hier wel uit. Achter zich hoorde ze hoe de mannen elkaar aanwijzingen toeriepen, en het geklop van de hoeven zorgde in het bos voor een gedempt, maar onafgebroken geluid. Geen van de achtervolgende paarden was echter zo vast van tred en zo scherp van blik als Bumper, en ze hoorde af en toe dan ook het geluid van valpartijen en kreten van pijn als er weer eens een paard was gevallen of tegen een boom was gebotst. De geluiden werden stukje bij beetje minder goed hoorbaar en uiteindelijk waren ze zo ver weg dat Maddie zachtjes aan de teugels durfde te trekken, ten teken dat Bumper het wat rustiger aan kon doen. ‘Goed zo,’ zei ze. ‘We hebben ze afgeschud.’ Bumper ging meteen over van een volle galop naar een rustige draf. Dat bood Maddie de kans rechtop te gaan zitten en wat beter om zich heen te kijken. Ze keek vooral naar de bodem en na een tijdje vond ze wat ze zocht: een smal wildpad dat tussen de bomen door verder naar het zuiden voerde. ‘Dit is nu even onze route,’ zei ze, terwijl ze hem met haar knie het pad op leidde. Hij brieste even en deed wat ze hem opdroeg. Hij duwde wat struikgewas opzij en vervolgde zijn weg over het pad. Het geschreeuw en het hoefgetrappel was nog altijd te horen, maar op een behoorlijke afstand. Maddie haalde opgelucht adem. ‘We blijven naar het zuiden rijden tot we van ze af zijn. Daarna gaan we in een omtrekkende beweging terug naar het kasteel,’ legde ze aan Bumper uit. Die brieste opnieuw even, maar concentreerde zich vooral op het smalle pad. Dimon had tegen zijn mannen gezegd dat ze morgen de aanval op het kasteel zouden inzetten. Het was dus van levensbelang dat zij daar vannacht nog terugkeerde, want ze moest haar moeder voor het verraad waarschuwen. Dan konden ze zijn plan om met zijn manschappen het kasteel binnen te gaan nog tegenhouden. Ze bedacht dat Dimon geen idee had dat zij degene was geweest die zich op de galerij had verstopt. Hij had zijn mannen verschillende keren aangespoord om ‘hem’ te pakken. Misschien dacht hij wel dat een of andere zwerver de abdij voor onderdak had uitgezocht – hoewel die aanname door de plotselinge verschijning van haar paard niet erg logisch was. Ze bevond zich in gebied dat ze nog niet kende en ze merkte dat de bodem gestaag omhoogliep. De bomen stonden hier ook minder dicht op elkaar en ze zag dat het landschap om haar heen heuvelachtiger aan het worden was. De hellingen werden ook steeds steiler en hoger, en na verloop van tijd werd duidelijk dat ze door een dal liepen. Aanvankelijk was het dal nog tamelijk breed, maar het werd gaandeweg smaller en de berghellingen kwamen steeds dichter naar elkaar toe. Plotseling stopte Bumper helemaal en toen ze opkeek zag ze dat ze tegenover een kaarsrecht omhooglopende rotswand stonden. Ze stuurde Bumper naar rechts en reed erlangs, om te zien of er een pad omheen leidde. Maar dat was er niet. Er was geen enkele manier om het dal weer uit te komen, behalve terug. In wanhoop draafde ze de andere richting uit, maar aan die linkerkant was de situatie precies hetzelfde als rechts. De wanden van het dal vormden gezamenlijk een U, en waren te steil om tegen op te klimmen. Ze besefte tot haar grote teleurstelling dat ze zich in een doodlopend dal bevond en dat de enige weg eruit dezelfde was als waarlangs ze gekomen was. Ze zwenkte Bumper terug naar beneden, maar terwijl ze de draai maakte zag ze fakkels in het lager gelegen bos flakkeren. Dimon en zijn mannen sloten de uitgang van het dal af. Ze zat in de val.