HOOFDSTUK 32 @BRK#Toen ze drie dagen in het oude fort hadden gezeten, zette de Clan van de Rode Vos eindelijk de aanval in. Een uur na zonsopgang liep Gilan een ronde over de omloop van de afrastering, zoals hij dat elke ochtend had gedaan. Halverwege hoorde hij fluiten en trompetgeschal uit het vijandelijke kamp. De eenheid Vossen had aan de voet van de heuvel een kamp opgeslagen, en daar haastten de mannen zich nu naar buiten, naar het slingerende pad dat de heuvel op leidde. ‘Eindelijk komen ze in beweging,’ zei een stem vlak achter hem. Hij draaide zich om en zag Arnaut achter zich staan. ‘Daar ziet het wel naar uit,’ zei hij. Hij keek de omloop af en zag een paar meter verderop een groepje boogschutters staan. Ook zij volgden de voorbereidingen beneden met grote belangstelling. Zijn hoofdschutter stond er ook bij. ‘Nestor!’ riep hij. De man keek zijn kant op. ‘Wil je even hier komen?’ vroeg Gilan. De grijsharige boogschutter kwam vlot aangelopen en tikte even kort met zijn knokkels tegen zijn voorhoofd. ‘Ik geloof dat ze eindelijk een besluit hebben genomen, Jager,’ zei hij. Het kleine garnizoen in het fort had zich al afgevraagd wanneer de Vossen voldoende moed voor een aanval zouden kunnen opbrengen. ‘Zo is het. Stel je mannen in slagorde op, Nestor. Ik vermoed dat de vijanden het pad zullen volgen tot ze de top een flink eind zijn genaderd, en het laatste stuk dan via de grashelling gaan proberen af te leggen.’ Nestor knikte. Hij was zelf tot dezelfde conclusie gekomen. Gilan ging verder. ‘Het lastige is dat we niet weten aan welke kant van de heuvel ze hun uiteindelijke aanval zullen plaatsen.’ ‘Aan de kant van de ingang lijkt me het meest logisch,’ zei Nestor, en hij wees met zijn duim naar de toegangspoort. ‘Daar is het minder ver over het gras klimmen en aan de andere kant kunnen ze de muur niet over.’ ‘Ik denk dat je gelijk hebt, maar laten we voor de zekerheid vijf boogschutters aan elke kant neerzetten. Als ze eenmaal op het gras zijn, kunnen we ze makkelijk neerschieten. Vijf man moet genoeg zijn om ze dan tegen te houden. En als ze allemaal naar de kant van de poort komen, kunnen de manschappen van de andere muren ons daar komen helpen.’ ‘Ik ga het meteen organiseren,’ zei Nestor. Hij tikte zijn voorhoofd weer even aan en draaide zich om. Hij gaf zijn manschappen op de omloop opdrachten en riep naar de rest van de boogschutters, beneden, dat ze zich klaar moesten maken. ‘Slim bedacht,’ zei Arnaut. Hij had geluisterd hoe Gilan de strategie aan Nestor had doorgegeven. ‘Ik zet bij elk van jouw groepjes van vijf ook nog twee van mijn mannen.’ Hij draaide zich om en liep naar de kapitein van dienst van de cavalerie. Dat er een aanval ophanden was, verspreidde zich als een lopend vuurtje onder de manschappen, en niet veel later was het op de binnenplaats een drukte van belang. Mannen haastten zich om zich in hun wapenrusting te hijsen, hun wapens om te gespen en naar hun posities te gaan. Het leek wel alsof het garnizoen opgelucht was dat er eindelijk iets stond te gebeuren. De onzekerheid van de afgelopen dagen had menigeen flink op de zenuwen gewerkt. Gilan glimlachte en herinnerde zich ineens een oude wijsheid: op het gevecht wachten is erger dan het gevecht zelf. Hij controleerde zijn eigen materiaal nog maar eens. Hij had voldoende pijlen in zijn koker en zijn sax en zijn werpmes zaten klaar voor gebruik in hun schedes. Hij zette de punt van zijn boog op de planken, plaatste zijn voet ertegenaan en verboog het hout zo ver dat hij de knoop in de losse pees aan de bovenkant kon vastmaken. Hij veerde de boog een paar keer heen en weer om te kijken of de pees wel echt goed vast zat en controleerde nog maar eens of de pees nergens rafels vertoonde. Het waren eigenlijk zinloze handelingen, die vooral bij het ritueel hoorden. Jagers hadden hun materiaal en hun wapens altijd tiptop in orde – dat was een van de eerste lessen die ze leerden. De woorden die Halt jaren geleden tegen hem had gezegd was hij nooit vergeten: die ene keer dat je je materiaal niet goed controleert gaat het geheid mis. Ervan verzekerd dat alles in gereedheid was klom hij de omloop van de palissade weer op. Hij hoorde voetstappen van rennende mannen en voelde de planken onder zijn voeten trillen. Hij keek even om en zag kleine groepjes boogschutters en krijgers naar hun posities bij de andere drie muren hollen. Ze verspreidden zich zodanig dat ze een zo breed mogelijk front vormden. Op de zuidelijke muur, waar hij zelf stond, verzamelde zich het grootste aantal manschappen. Hij werd omringd door vijf boogschutters – het salvo dat ze gezamenlijk konden afvuren zou heel wat schade aanrichten – en de overgebleven cavaleristen, en samen konden ze een heel sterke verdedigingslinie optrekken. Hij zag Arnaut zes van zijn mannen opdracht geven om de watertonnen door de afwateringsbuizen bij de poort leeg te gieten. De mannen voldeden in vliegende vaart aan die opdracht en enkele minuten later zag Gilan water uit de verborgen buizen spuiten, waardoor de grashelling drijfnat en dus spekglad werd. ‘Dat zal ze wel even ophouden,’ zei Arnaut grijnzend toen hij zich bij Gilan voegde. Van beneden weerklonk er trompetgeschal en de twee rijen vijandelijke krijgers sloegen rechtsaf, in de richting van het begin van het slingerende pad omhoog. Gilan zag dat iedereen een manshoog houten schild droeg, en dat er midden in de groep een aantal ladders werden meegebracht. Die ladders waren gemaakt van ruw hout en de treden waren met leren banden en soepele twijgjes vastgebonden. Dat een aanval zo lang op zich had laten wachten kwam blijkbaar doordat ze eerst ladders en nieuwe schilden hadden moeten maken. Ze hadden hun lesje wat die dodelijke Aralueense boogschutters betreft wel geleerd. Hij telde vijf ladders en probeerde hun bereik uit te rekenen. Ze zagen er lang genoeg uit om mensen over de muur rond het fort heen te helpen. Hij keek de omloop af. Arnaut had daar de afgelopen dagen met zijn mannen een paar flinke bergen zware stenen verzameld. Daarmee konden ze aanvallers naar hartenlust bekogelen. Hij richtte zijn aandacht ook even op de mannen bij de andere drie muren. Het waren er wel erg weinig, realiseerde hij zich. Als de aanvallers goed georganiseerd waren en niet bij de eerste tegenslag op de vlucht sloegen, was de kans groot dat ze het fort wel in zouden komen. Het lag er een beetje aan waar het zwaartepunt van de aanval kwam te liggen, maar hun eenheid was eenvoudigweg te klein om alle vier de muren goed te kunnen verdedigen. ‘Hoeveel denk je?’ vroeg hij aan Arnaut, die de kolonne nauwgezet had gadegeslagen. ‘Een stuk of tachtig,’ antwoordde hij. ‘Ze zetten niet al hun mankracht in.’ ‘En hun commandant voert zijn troepen ook niet aan, zag ik,’ stelde Gilan vast. Hij had de man met zijn arm in een mitella, die een paar dagen eerder zo had staan schreeuwen, niet meer gezien. De man aan het hoofd van de stoet was jonger – en waarschijnlijk meer krijger dan prater, dacht Gilan. Hij zat op zijn paard en stuurde het dier het steile, hobbelige pad op. Intussen keek hij om de haverklap omhoog en stelde hij zich vast in op de aanval waarvan hij wist dat hij vroeg of laat ging komen. De kop van de stoet liep inmiddels aan de andere kant van de heuvel, uit het zicht van het fort, en de overige aanvallers ploeterden erachteraan. Ze liepen in een allesbehalve gesloten formatie en de ongelijke bodem van het pad kostte de mannen veel moeite – met name de mannen in het midden, die de ladders droegen. Net toen de laatste manschappen op het in een spiraal met de klok mee draaiende pad uit beeld verdwenen, uitte de leider van de groep op de westelijke muur een waarschuwing. ‘Opgelet! Ik zie ze weer! Ze volgen nog steeds het pad!’ Enkele minuten later weerklonk er een soortgelijke waarschuwing van de noordelijke zijde van de palissade. Gilan knikte. Ze hadden nog wel een paar rondjes te gaan voordat ze boven waren, dus ze zouden het pad nu in elk geval nog niet verlaten. ‘In zicht! Nog steeds op het pad!’ Dat was de oostelijke zijde. Enkele minuten later zag Gilan de stoet ook weer verschijnen, een kringetje hoger dan de vorige keer dat hij ze aan zijn kant kon zien. Hij kreeg het gevoel dat er iemand vlak bij hem stond, draaide zich om en zag dat het Nestor was. ‘Zullen we er vast een paar uitschakelen, Jager?’ vroeg de leider van de boogschutters. Gilan dacht even na, maar schudde zijn hoofd. ‘Doe maar zuinig met jullie pijlen,’ zei hij. ‘Als ze nog een rondje hoger zijn, vuren we een heel salvo op ze af, met meteen daarna nog meer pijlen.’ Nestor knikte. Hij snapte wel dat het handig was om te wachten tot de vijand ruimschoots binnen hun bereik was voordat ze er een heel salvo op afvuurden. Tegen die tijd had de vijand zich natuurlijk al een tijdje op de allesbeslissende aanval voorbereid, en de aanblik van tien à vijftien kameraden die levenloos de heuvel weer af rolden zou het vertrouwen in een goede afloop een flinke deuk bezorgen – zeker omdat dit ook precies was waar ze al minutenlang op zaten te wachten. De stoet rondde nogmaals de heuvel en opnieuw weerklonken kort achter elkaar de waarschuwingskreten van de drie zijden van de palissade. En daar verscheen het marcherende gezelschap weer, inmiddels op de op een na hoogste ring van het pad. ‘Klaar, boogschutters?’ vroeg Gilan, en de vijf schutters op de zuidelijke omloop van de palissade stapten als één man naar voren. Ze legden een pijl op hun boog en Gilan deed hetzelfde. ‘Mannen, paraat!’ riep Arnaut en de cavaleristen kwamen eveneens naar voren. Ze hielden allemaal een lange lans rechtop. Die was eigenlijk bedoeld om vanaf de rug van een paard te gebruiken, maar ook heel geschikt om mannen op ladders terug te slaan voordat die hun wapens voor het lijf-aan-lijfgevecht – bijlen, zwaarden en knuppels – in de strijd konden gooien. De aanvallers aarzelden. Op de muur hoog boven hen verschenen ineens steeds meer mensen. De ochtendzon weerkaatste in de stalen punten van de lansen en op de helmen van de krijgers. ‘Boogschutters!’ riep Gilan. ‘Eén salvo, daarna vier snelle pijlen! Klaar?’ Zes bogen kreunden zachtjes doordat de schutters hun pezen spanden. Ze zochten intussen allemaal een doelwit in de menigte beneden. De aanvallers zagen wat er gebeurde en verstopten zich zo goed mogelijk achter hun schilden. ‘Mik op de openingen!’ riep Gilan. ‘Vuur!’ De bogen verspreidden bij het afschieten een dreigend zoemend geluid en enkele tellen later sloegen zes pijlen in de groep mannen, die gehurkt op de helling zaten. Twee van de projectielen schoten door openingen in de geïmproviseerde muur van schilden, waardoor twee aanvallers achteruit wankelden, over de rand van het pad vielen en van de grashelling rolden. De andere pijlen raakten de schilden, maar zo hard dat de mannen die ze vasthielden flink uit hun evenwicht raakten. In een gewone muur van schilden zouden ze dan wel zijn opgevangen door een tweede rij manschappen achter hen, die met hun extra kracht en gewicht zorgden dat de voorste linie intact bleef. Hier, op het hobbelige, steile pad, was echter geen ruimte voor zo’n tweede linie. Door de klap lukte het daarom niet de muur gesloten te houden en dat bood ruimte voor de volgende vier rondes van pijlen, die in razend tempo van boven op ze af werden gevuurd. Veel van de aanvallers schreeuwden het uit van de pijn en wankelden achteruit, terwijl ze intussen verdwaasd naar de uit hun lichaam stekende pijlen met weerhaken grepen. ‘Herstel de muur!’ Het was een bevel van de leider die Gilan eerder al was opgevallen. Hij leidde zijn paard achteruit, tussen de aangevallen manschappen door. Gilan vuurde een pijl op hem af, maar de man wist wat hij deed en bleef zich goed achter zijn schild verbergen. ‘Gezichten naar voren!’ riep de aanvoerder nu, en de aanvallers draaiden zich in de gewenste richting om. ‘Voorwaarts!’ riep hij. Zijn stem klonk gespannen, en langzaam zetten zijn mannen voet op de grashelling die tussen hen en het fort in lag. Ze gingen op de natte, verraderlijke helling vrijwel onmiddellijk onderuit. Intussen vuurden de boogschutters van boven nog meer pijlen op ze af. Degenen die aan de pijlen wisten te ontkomen zagen links en rechts kameraden geraakt worden. De leider had al snel door wat er aan de hand was en bedacht een slimme oplossing. ‘Ladders hierheen!’ riep hij, en hij wees met zijn zware bijl in de richting van de helling. De mannen met de ladders worstelden zich tussen de doden en gewonden door naar voren en legden de ladders op aanwijzing van hun leider in het gras. Daardoor hadden de aanvallers plotseling veel meer houvast en konden ze op vier plaatsen tegelijk omhoogklimmen en het vlakke stuk van het pad bij de toegangspoort bereiken. De pijlen van de boogschutters werden onrustiger en dus minder nauwkeurig afgevuurd, want ze hadden nu vooral haast om de tegenstander zo veel mogelijk te beschieten. Veel van de pijlen sloegen echter in op de schilden, waar de aanvallers zich goed achter bleven verbergen. Gilan deed een vergeefse poging om de man die de aanval leidde uit te schakelen. Die was inmiddels al van zijn paard af gekomen en had zich achter zijn schild verschanst – en de grote groep krijgers om hem heen hadden hetzelfde gedaan. Zodra de aanvallers de hoogste ring van het pad hadden bereikt, trokken ze de ladders achter zich aan omhoog. Gilan keek even over de palissade heen, maar hij zag daarbeneden niets anders dan een gesloten dak van schilden, met daaronder de aanvallers. Daar werd de eerste ladder al tegen de palissade gezet, een paar meter bij Gilan vandaan, en een van de Vossen waagde zich als eerste aan de beklimming. Hij was halverwege toen een van Arnauts mannen zich over de rand boog en hem een flinke duw met zijn lans gaf, waardoor hij op slag weer naar beneden tuimelde en op het dak van schilden plofte. Meteen volgde een volgende aanvaller, met een derde die zich klaarmaakte om achter hem aan te komen. Gilan wist de eerste man op de ladder neer te halen, maar de tweede was al onderweg. En intussen stonden er al vier ladders tegen de buitenkant van de palissade. Gilan had geen tijd om te kijken waar de vijfde was, want de aanvallers klauterden ondanks een regen van stenen en andere projectielen naar boven. Ze zwaaiden verwoed met hun wapens naar de mannen boven op de palissade. Die wisten een deel van de aanvallers wel van de ladders af te slaan, maar het was duidelijk dat het aantal manschappen die onderweg naar boven was gewoon te groot was om allemaal tegen te houden. ‘We hebben hier meer mensen nodig!’ riep Arnaut, en hij gebaarde naar de mannen op de andere delen van de muur. ‘Laat iedereen hierheen komen!’ Gilan knikte, draaide zich naar de andere mannen toe en gebood ze allemaal naar de zuidelijke muur te komen. Ze haastten zich zijn opdracht uit te voeren, en de plotselinge toename van het aantal verdedigers verlichtte de druk boven aan de ladders zienderogen. Gilan keek weer over de rand en zag een inmiddels maar al te bekend figuur naar boven komen. Het was de leider van de vijand. Hij hield ter bescherming zijn schild boven zijn hoofd, maar Gilan herkende hem aan zijn zware bijl. Hij was beweeglijk en had een goed gevoel voor evenwicht, waardoor hij onderweg omhoog nauwelijks een hand nodig had om de zijkant van de ladder vast te houden. Gilan legde zijn boog weg en wilde zijn zwaard pakken, maar voordat hij meer kon doen duwde Arnaut hem weg om het gevecht over te nemen. ‘Laat maar komen,’ zei de ridder. ‘Ze moeten hem zien vallen.’ Aan zijn linkerarm droeg hij zijn ronde schild, waarop het eikenbladmotief door de aanvallen van de vijand al flink was gedeukt. Hij wachtte, met zijn jaren geleden door de Nihon-Ja-smeden vervaardigde zwaard losjes over zijn rechterschouder, tot de leider van de Clan op de palissade was geklommen. De aanvaller sprong onverwacht snel over de rand van de palissade en haalde met zijn zware bijl meteen twee van de verdedigers van het fort onderuit. Achter hem stonden nog meer aanvallers op het punt hem, zodra hij plaats voor ze had gemaakt, over de muur te volgen. Gilan keek van een afstandje wat er gebeurde, maar zag vanuit zijn ooghoek ook beweging aan de andere kant van het fort. Daar verscheen de vijfde ladder boven de rand van de westelijke muur, en de eerste aanvallers waren er al tegenop geklommen en kwamen de omloop op. De twee mannen die waren achtergebleven toen Gilan de boogschutters naar de andere kant had geroepen zouden niet lang standhouden. Drie aanvallers stonden al op de omloop, en er kwamen er nog meer achter ze aan. Gilan deed een stapje opzij, legde een pijl op zijn boog, mikte, schoot, en herhaalde die handeling meteen daarna nog twee keer. Binnen enkele seconden lagen de aanvallers levenloos op de houten planken. De vierde man die de ladder op was geklommen stak zijn hoofd over de rand en werd door een volgende pijl onmiddellijk achterover en terug naar beneden gegooid. De vijfde keek even heel voorzichtig over de rand, zag zijn kameraden daar dood liggen en verdween zo gauw hij kon weer uit het zicht. De twee mannen van Arnaut schoten naar voren en duwden de ladder naar achteren en opzij, zodat die op de grond neerviel. Gilan slaakte een diepe zucht. Dat was op het nippertje geweest. Intussen was Arnaut naar voren gelopen om de aanval van de leider van de vijand op te vangen. De man zwaaide met zijn enorme bijl horizontaal om zich heen en had daarmee zomaar de krijger tegenover zich kunnen onthoofden. Als hij hem had geraakt. In plaats daarvan hief Arnaut zijn schild op, hield het een beetje schuin zodat de bijl erop afketste in plaats van dat hij er de hele klap mee opving. Daardoor verloor zijn tegenstander, die op minder weerstand stuitte dan hij had verwacht, heel even zijn evenwicht. Arnaut zette meteen nog een stap naar voren en haalde met zijn zwaard in een verticale beweging uit. De man wist zich met zijn schild nog wel te verdedigen, maar door de kracht van de klap raakte hij nog wat verder uit zijn evenwicht. Hij viel achterover, tegen de muur. Arnaut kwam naar voren voor de beslissende klap, maar de man gooide in wanhoop zijn bijl naar zijn tegenstander. Opnieuw werd Arnaut gered door zijn schild. Hij ving de bijl ermee op en het wapen kletterde op de grond onder de omloop. De vertraging gaf de aanvaller wel de kans om zijn zwaard te trekken. Hij kwam weer overeind en hakte wild op Arnaut in. Het bekende geluid van staal op staal galmde door het fort. De leider van de Vossen trok een verbaasde grimas toen zijn zwaard een voorwerp raakte dat geen millimeter meegaf. De klap kwam zo hard aan dat zijn zwaard iets zakte – een klein stukje maar, maar voldoende voor een geoefende krijger als Arnaut om er beslissend voordeel uit te halen. Zijn zwaard schoot snel als de kop van een giftige slang naar voren. Het geharde, vlijmscherpe blad verdween dwars door de maliënkolder die de man als extra bescherming had aangetrokken. Hij kwam overeind en wankelde opnieuw achteruit tegen de palissade aan. Arnaut trok zijn zwaard terug en gaf de man met zijn zwaard het beslissende zetje. De Vossenleider viel achterover, door een opening tussen de kantelen, boven op de aanvallers die achter hem aan waren gekomen. De mannen onder aan de ladders schreeuwden het uit van de schrik. De aanblik van hun leider en beste krijger, die zo eenvoudig door de tegenstander werd verslagen, werd de rest van de groep te veel. Als hij de ladder al niet op kon komen, hadden zij natuurlijk ook geen schijn van kans. De Vossen begonnen aan een terugtrekkende beweging. Ze lieten hun ladders tegen de palissade staan, en de mannen van Gilan en Arnaut duwden ze zo snel mogelijk bij de omheining vandaan. Daarna lieten de Vossen zich van de grashelling glijden, om maar zo snel mogelijk een flink eind bij het fort vandaan te geraken. Ze renden, ze gleden, ze struikelden over de helling, die nu niet alleen glad was van het water, maar ook van het vele bloed. Binnen enkele minuten veranderde hun aftocht in een paniekerige vlucht. De boogschutters namen hun wapens weer ter hand en begonnen gretig op de struikelende en vluchtende mannen te schieten. Gilan kon het algauw niet meer aanzien en schudde mismoedig zijn hoofd. ‘Ophouden met schieten!’ riep hij. ‘Wees zuinig met jullie pijlen!’ Hij wendde zich naar Arnaut, die net met een lap stof zijn zwaard schoonveegde. ‘Dat scheelde wel erg weinig, vond je niet?’ Arnaut zei aanvankelijk niets. Hij bekeek hoe de vijand aan een chaotische aftocht bezig was en naar de berg dode lichamen aan de voet van de palissade. ‘Een beetje wel. Maar ik denk niet dat ze het gauw nog een keer proberen,’ zei hij.