HOOFDSTUK 31 @BRK#Ze wist weliswaar dat niemand haar kon zien, maar toch kromp Maddie onwillekeurig nog wat verder in elkaar. Ze hoorde verschillende stemmen op gedempte, ontspannen wijze met elkaar praten. En ze hoorde ook het geschuifel van vele voeten op de vloer van de abdij. Voorzichtig zette ze haar oog tegen het gaatje dat ze in de houten plank aan de voorkant van de balustrade had gemaakt. Voor de ideale kijkhouding moest ze aanvankelijk een beetje met haar hoofd heen en weer bewegen, maar toen ze de juiste positie eenmaal had gevonden zag ze dat de kerk zich snel met mensen vulde. Ze schuifelden achter elkaar naar binnen – ze schatte hun aantal op vijftien à twintig – en gingen op de voorste vier rijen van de kerkbankjes zitten, tegenover de oude houten preekstoel waarvandaan de abt vroeger ongetwijfeld zijn religieuze boodschappen over de kerkgangers had verspreid. De achterste drie rijen bleven leeg en ze slaakte een zucht van verlichting. Ze had even paniek voelen opkomen toen ze zich afvroeg of het geheimzinnige gezelschap wellicht zo groot was dat ze behalve de bankjes beneden ook die op de galerij zouden gaan gebruiken. Dat zou haar natuurlijk buitengewoon slecht zijn uitgekomen. Het geroezemoes hield aan, maar ze kon niet verstaan wat er zoal gezegd werd. De kans was groot dat het onbetekenend gebabbel was. Af en toe hoorde ze iemand ingehouden lachen, wat haar indruk versterkte dat de mensen vooral een beetje aan het bijpraten waren. Ze voelde hoe haar oog, dat ze tot het uiterste moest inspannen om een beetje behoorlijk te kunnen zien wat er gaande was, begon te tranen. Ze bewoog een stukje achteruit en wreef er even met de achterkant van haar hand in en ze knipperde een paar keer, tot het vocht was verdwenen. Daarna boog ze zich weer naar voren om verder te kunnen kijken, vanuit een iets andere hoek nu, zodat ze meer overzicht had. Ze schrok van een plotselinge lichtflits, beneden. Ze bewoog iets, tot ze kon zien dat een van de aanwezigen met een vuursteen op een stuk metaal had geslagen, waardoor er wat vonken op een hoopje tondel vielen. Ze zag dat de man er zachtjes op blies tot er een klein geel vlammetje ontstond, en daarop werd het vuurtje snel groter. Uiteindelijk werd het vuur gebruikt om de kop van een in olie gedrenkte fakkel aan te steken. Er gebeurde eerst even niets, maar toen de vlammen vat op de fakkel kregen vulde een geel licht de hele abdij. De overige bezoekers knikten tevreden naar de fakkeldrager. Diverse andere mannen bleken ook fakkels bij zich te hebben en verdrongen zich om de tondeldoos om ze aan te steken. Het licht in de abdij werd steeds feller en de schaduwen verspreidden zich veelvormig en bewegend over de muren. Maddie kon zich in al dat licht een steeds beter beeld van de bezoekers vormen. Voor zover ze kon zien waren het allemaal mannen. Ze droegen alledaagse kleren: werkbroeken, hemden en jassen. En ze waren allemaal gewapend, met uiteenlopende zwaarden, messen, bijlen en speren. Op hun hoofd droegen ze allemaal een vreemd soort pet, en het kostte haar wel enige tijd voordat ze kon zien dat die van vossenbont waren gemaakt – om precies te zijn van vossengezichten. De ogen waren donker en hol, maar de oren en snuit zaten nog op hun plek en waren boven op de petten bevestigd. Van boven gezien leek het net alsof zich beneden een hele groep vossen had verzameld. Het effect ervan was nogal indrukwekkend, en onwillekeurig rilde ze even. Ze twijfelde er inmiddels absoluut niet meer aan dat ze stiekem getuige ging zijn van een bijeenkomst van de Clan van de Rode Vos. De deur, die degene die het laatst was binnengekomen vanwege de tocht achter zich dicht had gedaan, werd plotseling opengeduwd. Het geroezemoes van stemmen stierf weg en maakte plaats voor een verwachtingsvolle stilte. Maddie hoorde de hakken van zware laarzen op de tegels bij de ingang tikken. Ze draaide haar hoofd alle kanten op om te proberen een glimp van de deur en de nieuwe gast op te vangen, maar het gaatje in de balustrade stond zo’n breed zicht niet toe. Omdat het bovengedeelte van de abdij in vergelijking met beneden te donker was om er veel te kunnen zien, besloot ze uiteindelijk dat ze het risico wel kon nemen en keek ze voorzichtig even over de rand van de balustrade. Een lange man schreed, gehuld in een tot op de grond reikende, met bont afgezette rode mantel, tussen de bankjes door naar de katheder. Zijn gezicht was door de schaduw van zijn kap niet goed te zien, waardoor ze geen beeld van hem kreeg. Toch meende ze wel iets in de figuur te herkennen – in de manier waarop hij bewoog en in zijn lichaamshouding. Will had haar geleerd lichaamstaal en de manier waarop iemand zich bewoog te lezen. Dat is het allermoeilijkst te verbergen, had hij tegen haar gezegd. Je kunt je uiterlijk en je kleren veranderen, maar hoe je je beweegt zal je dan nog heel vaak verraden. Hij had haar daarvoor allerlei trucjes geleerd. Door een steentje in een schoen te stoppen of de hak van de ene laars hoger dan de andere te maken ging een mens ineens anders bewegen. Wie zijn hoofd of schouders anders dan gebruikelijk hield kon er ook ineens heel anders dan anders uitzien. Je moet je hier heel goed van bewust zijn, had hij tegen haar gezegd. Jij bent een heel klein beetje stijf in je heupen, en dat bepaalt hoe je staat en beweegt. En dus bekeek ze de nieuwkomer nauwkeurig. De manier waarop hij bewoog kwam haar beslist bekend voor. Hij had een makkelijke, soepele gracieusheid over zich. Hij was overduidelijk een krijger, zag ze ook aan het lange zwaard dat op zijn linkerheup in een schede zat. Het handvat was zichtbaar, want dat stak onder zijn cape naar voren uit. En de achterste punt van zijn gewaad lag over de onderkant van de schede heen gedrapeerd. Ze liet zich weer heel langzaam achter de balustrade zakken – plotselinge bewegingen zouden maar de aandacht trekken. Hij stond inmiddels bijna recht tegenover haar en ze kon hem nu ook door het kijkgaatje prima zien. Hij nam plaats achter de katheder. Kleine bewegingen onder de kap maakten duidelijk dat hij de menigte tegenover zich gadesloeg. Na enige tijd maakte hij een klein handgebaar naar iemand in de kerk. Het bleek het teken dat er kon worden begonnen. Vanuit de ruimte recht onder Maddie klonk een zware stem: ‘Sta allen op en begroet Vulpus Rutilus.’ Vulpus Rutilus. Ze herkende er woorden uit de oude Toscaanse taal in. Voordat ze aan de opleiding tot Grijze Jager was begonnen had ze die op kasteel Araluen geleerd. Ze had dat leren verschrikkelijk gevonden. Maar nu kwamen die lessen goed van pas, want ze wist wat deze twee woorden betekenden. Vulpus Rutilus. Rode vos. De leider van de sekte luisterde blijkbaar naar die bijnaam. Er weerklonk geschuifel van beneden en Maddie zag dat de mannen in de bankjes opstonden. Hun leider keek bewegingloos toe hoe ze zich opstelden. Daarop volgde een luide, gezamenlijke uitroep. ‘Heil Vulpus Rutilus! Heil leider van de Clan van de Rode Vos!’ Er weerklonk opnieuw beweging en Maddie zag door haar kijkgaatje dat alle aanwezigen hun rechterarm gestrekt omhoogstaken, tot boven hun schouders. Ze wist dat dit de traditionele Toscaanse militaire groet was. Ter beantwoording stak hun leider ook zijn arm omhoog. ‘Heil, leden van de Clan van de Rode Vos.’ Zijn stem werd door zijn kap gedempt, maar het werd Maddie koud om het hart toen ze hem herkende. Na enkele seconden sloeg hij zijn kap naar achteren, zodat ze zijn gezicht in het licht van de fakkels kon zien. Ze had zich niet vergist. Vulpus Rutilus, de leider van de Clan van de Rode Vos, was niemand minder dan Dimon, de ogenschijnlijk zo trouwe commandant van de garde van haar moeder. Stomverbaasd liet ze zich bij het kijkgaatje achterover zakken in de kleine ruimte tussen de balustrade en het voorste bankje. Ze leunde tegen de ruwe stenen muur van de abdij, met stomheid geslagen. Vaag hoorde ze geschuifel en geroezemoes, omdat de mensen beneden hun plaatsen weer innamen en wachtten tot hun leider het woord tot hen zou richten. Dimon, hoe was het mogelijk? Hoe kon hij nou een verrader zijn? Hij was een trouwe voorman van de kasteelgarde, en er werd zelfs gezegd dat hij in de verte familie was. Maddie kende een diepgeworteld gevoel voor eer en trouw, en het kon er bij haar gewoon niet in dat zo iemand een overloper was en zijn positie en zijn verantwoordelijkheden zo te grabbel kon gooien. Maar toen ze naar hem begon te luisteren drong de kern van de zaak langzaam tot haar door. ‘Jullie komen hier nu al enkele weken regelmatig vanuit alle delen van het koninkrijk samen. En nu is de tijd voor actie gekomen. Morgen zetten we onze aanval op kasteel Araluen in,’ zei Dimon. De reacties uit het publiek getuigden van verbazing. Dit hadden ze blijkbaar niet verwacht. Ze zette haar oog weer tegen het gaatje en zag Dimon zijn handen opsteken ten teken dat het stil moest zijn. Langzaam maar zeker stierf het geroezemoes weg. ‘Ja, ik weet het, dat is eerder dan we van plan waren,’ zei hij. ‘Maar de omstandigheden zijn gunstig en volgens mij zijn we er klaar voor.’ Hij keek de aanwezigen indringend aan, zag dat iedereen aan zijn lippen hing en ging verder. ‘Het plan om heer Arnaut en de Jagercommandant uit het kasteel weg te lokken was succesvoller dan we hadden durven dromen,’ zei hij. Maddie voelde haar hart in haar keel bonken. Het plan om ze weg te lokken? Het was dus allemaal bedoeld om de twee betrouwbaarste steunpilaren van Cassandra samen met het halve garnizoen uit het kasteel weg te krijgen, zodat ze haar niet konden bijstaan bij de verdediging van het kasteel tegen de aanval van de Clan van de Rode Vos. ‘Ze zitten op het ogenblik vast in een oud fort aan de noordelijke oever van de Wezel. Onze bondgenoten uit Zonderland hebben dat fort omsingeld. Ze kunnen eigenlijk dus niks doen.’ ‘Heer Vulpus, hoelang houden die huurlingen uit Zonderland het daar vol?’ vroeg iemand. Uit de toon waarop de vraag werd gesteld klonk respect en Dimon knikte om duidelijk te maken dat hij het een goede vraag vond. ‘Oneindig lang. Maar heer Arnaut en de Jager kennende denk ik dat ze wel zullen proberen weg te komen. Als ze dat doen zullen ze vrijwel zeker door onze veel grotere aantallen worden verslagen en gedood. Het zou echter niet slim zijn om die twee te onderschatten. Vanwege de kleine kans dat ze het overleven wil ik kasteel Araluen zo snel mogelijk veroveren. We weten allemaal hoe moeilijk die vesting te nemen is. Zij kunnen zich dan op de buitenmuren te pletter lopen, terwijl wij veilig binnen zitten.’ Hij zweeg even en keek de zaal door. ‘Wij hoeven het kasteel natuurlijk niet aan te vallen,’ ging hij verder. ‘Jullie worden allemaal vermomd als leden van het garnizoen. Ik heb buiten voor iedereen een uniform. Jullie stellen je in formatie op, onder mijn leiding, en dan lopen we zo het kasteel in. Niemand zal proberen ons tegen te houden. En als we eenmaal binnen zijn, zijn we met veel meer manschappen dan de rest van het garnizoen. Dan vermoorden we ze, inclusief de prinses-regent, en nemen de macht over. Vervolgens verspreiden we het gerucht dat de prinses ondanks onze pogingen om haar te redden door leden van de Clan van de Rode Vos is vermoord. Eenmaal in het kasteel zal ik zo nodig mijn masker ophouden, zodat het personeel en de bedienden me niet herkennen.’ ‘Als Duncan en zijn familie uit de weg zijn geruimd ben ik de volgende in lijn voor de troonopvolging. Zoals jullie weten ben ik verwant aan de koninklijke familie. Een verre verwant, maar volkomen legaal – en dat kan ik bewijzen. Voor ons is het allerbeste dat ik een mannelijke troonopvolger ben. Het volk zal mij accepteren, want ik zal gezien worden als de held die de Clan van de Rode Vos versloeg. Als ik eenmaal aan de macht ben zal ik de wet van mijn voorouder herroepen en teruggrijpen naar de oude regels, waarin alleen mannen voor de troon van Araluen in aanmerking komen. Alleen mannen,’ herhaalde hij nadrukkelijk, en de toehoorders mompelden instemmend. ‘En als het korps van de Grijze Jagers zich tegen u keert?’ Het was dezelfde stem als van de vorige vraag en Maddie besefte ineens dat dit hele gesprek van tevoren was bedacht, zodat alle bezwaren tegen het plan van Dimon eerst ter sprake kwamen en dan de kop in werden gedrukt. ‘Waarom zouden ze? Ze hebben geen idee van mijn verbintenis met de Clan en ik ben de legitieme erfgenaam van de troon. Niemand zal ze op andere ideeën kunnen brengen. We zeggen gewoon tegen ze dat een loyale groep in een deel van het kasteel vast kwam te zitten en daar uiteindelijk wist uit te breken en de Clan wist te verslaan – maar dat we helaas te laat waren om Cassandra nog te kunnen redden.’ ‘En wat doen we dan met de jonge prinses?’ Dit was een andere stem, en verschillende anderen gaven blijk van hun instemming met de vraag. ‘Madelyn? Dat is een wispelturig meisje, en ze zit bij haar moeder in het kasteel. Ik neem aan dat haar hetzelfde lot beschoren zal zijn.’ Maddie lachte verbeten. Onwillekeurig ging haar hand even naar de slinger om haar riem. Door de neerbuigende manier waarop hij over haar sprak had ze heel even de neiging om uit haar verstopplaats tevoorschijn te komen en een loden kogeltje tussen zijn verraderlijke ogen te mikken. Maar toen won het gezonde verstand het weer. Haar leven op het spel zetten zou de zaak beslist niet helpen. ‘En hoe is het met de koning?’ vroeg weer een andere stem. Dimon maakte een minachtend wegwerpgebaar. ‘Hij is zwak en hij is ziek. Zijn dagen hier op aarde zijn toch al zo’n beetje geteld.’ Maddie voelde bij die woorden tranen in haar ogen opwellen. Dat Dimon zo lelijk over haar grootvader durfde te praten! Ze nam zich direct voor dat de leider van de Clan van de Rode Vos hiervoor zou moeten boeten. ‘We hebben vernomen dat er Skandiërs in het kasteel op bezoek waren. Zullen zij de koninklijke familie niet te hulp schieten?’ vroeg alweer een andere stem. Dimon antwoordde met een kort hoofdknikje. ‘Zij zijn alweer weg,’ zei hij. ‘Daarom wil ik ook graag nu ingrijpen. Ze blijven minstens een week weg, en misschien nog wel langer. Zij zouden Cassandra vast hebben geholpen, maar als we nu toeslaan hebben we het kasteel al in onze macht als ze terug zijn. En zij zullen net zomin als Arnaut en Gilan weten dat wij achter de dood van de prinses zaten.’ Maddie knikte. Ze begon het nu allemaal te begrijpen. Dus daarom had Dimon zo onaardig op de komst van de Reigers gereageerd. Ze vormden een obstakel voor zijn opstand. Een stuk of tien sterke, in vechten gespecialiseerde Skandiërs onder leiding van een vindingrijke leider hadden zijn plannen helemaal in de war kunnen sturen. ‘Zijn er verder nog vragen?’ informeerde Dimon. Hij keek de zaal rond en bestudeerde de gezichten van de aanwezigen. Er kwam geen verdere reactie. ‘In dat geval beëindig ik deze bijeenkomst. Morgen komen we om twaalf uur bijeen in het bos aan de voet van kasteel Araluen. Buiten krijgen jullie een uniform. We lopen de heuvel op, de ophaalbrug over en het kasteel in. Wie zich tegen ons verzet, moet dood.’ Er weerklonk opnieuw beweging van beneden en Maddie kwam voorzichtig overeind, want ze wilde voor hun vertrek nog een laatste blik op de samenzweerders werpen. Het kon handig zijn als ze morgen een paar van de gezichten zou herkennen. Dimon kende ze natuurlijk al, maar herkenning van andere leiders zou nog van pas kunnen komen. Ze trok zich voorzichtig overeind om over de balustrade te gluren, en zette daarbij een hand boven op de houten rand. Maar het oude hout was vermolmd en door de wormen aangevreten, en toen ze haar gewicht erop overbracht brak er onder luid gekraak een stuk van af. Meer dan twintig paar ogen richtten zich naar het geluid en ze dook haastig weer weg. De paniek zorgde ervoor dat ze vergat wat ze geleerd had: in dit soort situaties moest je altijd langzaamaan doen, want plotselinge bewegingen konden je positie verraden. Beneden hoorde ze Dimon schreeuwen. ‘De galerij! Er zit iemand! Pak hem!’