HOOFDSTUK 29 @BRK#Het leven op het kasteel keerde na het vertrek van de luidruchtige, weinig aan vormelijkheid hechtende Skandiërs terug naar de saaie routine van alledag. Maddie had graag gewild dat ze langer waren gebleven. Ze hadden rond het kasteel voor een frisse wind gezorgd. Maar er was werk aan de winkel en de volgende avond trok ze eropuit om de oude abdij in de gaten te houden. Ze wachtte tot het in het kasteel rustig was en glipte toen naar beneden, de kelder in. Net als de vorige keer nam ze een tot de nok toe met olie gevulde lantaarn mee. Verder had ze haar slinger en haar sax bij zich, en over haar gebruikelijke kleding – hemd, strakke broek, laarzen – droeg ze haar Jagersmantel. Ze stak haar lantaarn aan met behulp van een van de lampen die nog in de kelder brandden en verschafte zich toegang tot de geheime gang. Ze trok de verborgen ingang dicht, want ze was er inmiddels wel van overtuigd dat ze die ’s nachts, bij haar terugkeer, weer zou kunnen vinden. Met de lantaarn zo hoog mogelijk voor zich begaf ze zich weer op het aflopende, hobbelige pad onder de slotgracht. Ze wist nu wat ze kon verwachten en schrok dus niet meer van het water dat langs de muren lekte toen ze ter hoogte van de gracht was. Zodra het weer droog werd voelde ze de tunnel ook weer omhooggaan. Er hingen nog steeds heel veel wortels aan het plafond, en met haar sax maakte ze de doorgang opnieuw een stukje begaanbaarder. Ze zou hier de komende avonden vrijwel zeker vaker langs moeten en het idee dat zo’n bundel wortels onverwacht in haar gezicht of haar haar terecht kon komen sprak haar niet erg aan. Omdat het buiten inmiddels donker was verscheen er nu geen licht aan het einde van de tunnel, en daardoor doemden de struiken die voor de uitgang hingen een beetje plotseling op. Ze begreep dat haar lantaarn haar buiten in het donker onmiddellijk zou verraden en doofde de vlam voordat ze de tunnel uit kwam. Ze schoof de struiken zo goed mogelijk voor de uitgang terug en liep daarna de heuvel af, naar de plek waar Bumper op haar stond te wachten. Op de kasteelmuren liepen dag en nacht wachters, dus zocht Maddie zo veel mogelijk dekking en liep ze diep voorovergebogen naar haar paard toe. Voor alle zekerheid sloeg ze ter camouflage haar Jagersmantel om zich heen en trok ze haar capuchon over haar hoofd. De maan was nog niet op, dus de kans was erg klein dat iemand haar in het vrijwel volledige duister tussen het kniehoge gras van het park door zag bewegen. Toch haalde ze opgelucht adem toen ze de bomengroep bereikte waar ze Bumper had achtergelaten. Daar kwam ze overeind en liep ze op haar gemak naar de open plek waar haar paard al met gespitste oren op haar wachtte. Hij had haar wel horen komen, maar hij had geleerd om zo stil mogelijk te blijven staan tot zij het eerste geluid maakte. ‘Ben je blij om me te zien?’ vroeg ze, terwijl ze over zijn zachte neus aaide en hem de wortel gaf waarvan hij wel wist dat ze hem bij zich had. Hij bewoog zijn hoofd even op en neer en werkte daarna krakend de wortel weg. Ze keek even de kleine open plek rond. Alles zag eruit zoals ze het had achtergelaten. De zak met eten hing nog aan de tak en toen ze erin keek zag ze dat die nog halfvol was. De emmer met water was bijna leeg. Die zou ze wel bijvullen als ze terugkeerden. Bumper kon natuurlijk ook zelf naar het beekje lopen, maar ze vond het wel zo attent om de emmer vol achter te laten. Ze legde snel het zadel op zijn rug en ging erop zitten. Haar boog zat in de hoes, die nog aan het zadel was vastgebonden. Ze keek even of die niet beschadigd was en of de pees nog strak stond, en toen ze zag dat alles nog in orde was schoof ze hem gauw weer terug in de hoes. Daarna begaf ze zich door middel van een zacht tikje met haar hielen in Bumpers flank het slingerende pad op dat naar de abdij leidde. Op ongeveer twintig meter van de open plek waar de abdij stond kwam ze van Bumpers rug af. Ze liet hem in de bescherming van de bomen staan en kroop zelf geluidloos verder naar het gebouw toe. Ze zag of hoorde nergens enig spoor van menselijke aanwezigheid. Ze keek alle kanten op en ze luisterde goed of ze ook maar het kleinste geluidje hoorde dat erop wees dat er iemand was. Niets. Ze liep weer naar Bumper, legde haar vinger op haar lippen en wees naar de grond waar hij op stond. Hij begreep zo heel goed dat hij stil moest zijn en hier moest blijven. Hij bewoog zijn hoofd even op en neer om aan te geven dat hij het had begrepen. Maddie sloop terug naar de abdij. Tussen de rand van het bos en de muren van het gebouw lag een open ruimte van ongeveer vijftien meter breed. De neiging om die langzaam en voorzichtig over te steken was bijna niet te onderdrukken, maar ze begreep dat dat geen enkele zin zou hebben. Als er iemand op wacht stond zou die haar toch wel zien. Ze stak de open ruimte over en liep naar de ingang van de abdij. Ze stelde vast dat de deur gesloten was, terwijl ze zich heel goed herinnerde dat ze hem na haar eerdere bezoek op een kiertje had laten staan. Natuurlijk, het was mogelijk dat de wind de deur dicht had geblazen, maar ze betwijfelde het. Ze achtte de kans een stuk groter dat een mens hem achter zich dicht had getrokken. En dat betekende dat het inderdaad zo was als Warry haar had gezegd en dat er hier onlangs mensen waren geweest. De vraag was natuurlijk of ze er nu nog waren. Daar kan ik maar op één manier achter komen, besloot ze. Ze boog zich voorover en duwde met haar linkerhand tegen de deur. Haar andere hand ging als vanzelf naar het handvat van haar sax. De deur ging moeiteloos en zonder enig geluid open. Blijkbaar had iemand de scharnieren geolied. En dat wees erop dat iemand van plan was in de toekomst vaker van het gebouw gebruik te maken. Ze duwde de deur helemaal open, terwijl ze zelf buiten bleef staan om te zien of er binnen op haar komst werd gereageerd. Weer gebeurde er niets. Ze trok haar sax, ging snel naar binnen en haastte zich uit de deuropening. In de abdij was geen enkel geluid te horen. Geen stem die haar toeriep, geen voetstappen van iemand die zich verstopte of juist naar haar toe kwam. Ze wachtte even tot haar ogen aan het donker waren gewend en keek toen wat beter om zich heen. Stukje voor stukje keek ze de hele abdij door, op zoek naar een teken van leven. Maar er was niemand te bekennen. Ze merkte dat ze al die tijd haar adem had ingehouden. Opgelucht haalde ze een paar keer diep adem. Ze stopte haar sax weer terug in de schede. De oude boer die had gemeld dat hij mensen in de abdij had gezien had erbij gezegd dat het rond middernacht was geweest, en Warry had het daar ook over gehad. Dat betekende dat ze nog minstens een uur moest afwachten of er iemand naar de abdij toe kwam. Ze liep de kerk door en klom de gammele trap naar de galerij op. Daarvandaan kon ze het hele gebouw goed overzien zonder dat eventuele bezoekers haar meteen zouden zien. Ze ging op de grond zitten, naast het voorste bankje op de galerij en achter de balustrade, maakte het zich zo makkelijk mogelijk en wachtte af. De maan was inmiddels opgekomen en wierp schuin door het venster naast de galerij een beetje licht naar binnen. @BRK#Ze schrok wakker. Heel even wist ze niet waar ze was, maar algauw kwam het terug. Ze keek naar het venster. De maan was niet meer te zien, terwijl ze toch zeker wist dat ze hem eerder wel had zien schijnen. Toen ze nog wakker was geweest had ze het bleke licht naar binnen zien vallen, over het interieur van de oude kerk. Ze tilde voorzichtig haar hoofd op om zich ervan te overtuigen dat er nog altijd niemand in de abdij was. ‘Mooie Jager ben jij,’ zei ze, en ze dacht aan alle vernietigende opmerkingen die Will zou maken als hij hoorde dat ze tijdens haar wacht in slaap was gevallen. In de muur tegenover de galerij zat een hoge, smalle gleuf – zo smal dat het meer op een schietgat leek. Daar viel wel een dun straaltje maanlicht door naar binnen. De maan was opgekomen, over de kerk heen gedraaid en stond nu dus al helemaal aan de andere kant van het gebouw. Ze schatte dat ze zeker twee uur had liggen slapen. Er was in elk geval geen sprake van dat de Clan van de Rode Vos tijdens haar dutje in de abdij was geweest. ‘Ik ben nog niet zo suf dat ik erdoorheen zou slapen als er een hele groep mensen vlak onder me een vergadering hield,’ sprak ze zichzelf moed in. Veel troost ontleende ze er niet aan. Het viel niet te ontkennen dat ze in slaap was gevallen terwijl ze de wacht had moeten houden. Ze stond op en strekte haar stijf geworden ledematen. Haar hoofd had scheef gelegen, zonder iets eronder, dus ook haar nek voelde stijf aan. Ze rolde haar hoofd heen en weer om zo het vervelende gevoel uit haar nek te verdrijven, maar dat lukte maar heel gedeeltelijk. Ze ging weer naar beneden en liep tussen de kerkbankjes door terug naar de uitgang. Ze keek nog een laatste keer om zich heen om er helemaal zeker van te zijn dat er niets of niemand binnen was of de afgelopen uren was geweest. Maar alles was precies zoals toen ze binnen was gekomen, en de schets van de vos stond ook nog steeds in de aarden vloer gekrast. En ook rondom de deur waren er nergens sporen van recente menselijke aanwezigheid te zien. ‘Dat is voor jou maar beter ook,’ mompelde ze. Ze wist inmiddels wel heel zeker dat ze hier al die tijd alleen was geweest, maar toch keek ze eerst goed naar alle kanten voordat ze naar buiten ging. Ze haastte zich naar de beschutting van de bomen, waar Bumper geduldig op haar stond te wachten. In slaap gevallen, neem ik aan? Maddie vroeg zich af hoe hij dat nou toch weer wist. ‘Heel even maar,’ antwoordde ze. ‘Een paar minuten.’ Ja ja! Ach, ze wist dat ze haar paard niets op de mouw kon spelden, dus ze deed er verder maar het zwijgen toe. De morele overwinning was voor hem – en niet voor het eerst. Ze ging op zijn rug zitten en stuurde hem terug naar het kasteel. Het had geen zin hier nog langer te blijven rondhangen. Alle berichten over activiteiten in de abdij gingen over vóór en rond middernacht, en ze twijfelde er niet aan dat het inmiddels veel later was. ‘We zullen morgen terug moeten komen,’ zei ze tegen Bumper. ‘En de avond daarna eventueel weer.’ Misschien moet je zorgen dat je dan een beetje uitgeslapen bent, antwoordde hij. Ze besloot er niet op in te gaan.