HOOFDSTUK 28 @BRK#Met behulp van veel duwen, trekken en vloeken slaagden ze erin de paarden omhoog te krijgen, het fort in. De voorraadwagen bleek echter een probleem. De aarden wal was te hoog en te steil, en Arnaut had weinig zin om tijd te verspillen aan de aanleg van een aparte oprit voor de kar. Uiteindelijk besloten ze het materiaal uit te laden en de kar buiten de wal te laten staan. ‘Als de Vossen aanvallen, kunnen we die wagen altijd een zetje geven en hun kant op laten rollen,’ zei hij. Terwijl Arnaut de rest van de eenheid de heuvel op leidde, had Gilan uitgevonden waar de vaten eigenlijk voor bedoeld waren. Langs de voorkant van de palissade waren aan beide kanten van de toegangspoort twee afwateringsbuizen aangebracht. Hij probeerde er een emmer water doorheen te gooien en zag het water ongeveer een minuut later langs de rand van het pad naar buiten gutsen. ‘Als we daar water doorheen gooien wordt de steile grashelling aan de onderkant van het pad nog spekglad ook,’ legde hij Arnaut uit. ‘Die wordt voor de vijand dan nóg moeilijker te beklimmen.’ Arnaut knikte en kon een lach niet onderdrukken. Die oorspronkelijke bouwers waren vindingrijke mensen geweest! Hij liet de vaten verplaatsen naar de openingen van de vier buizen en gaf vervolgens een paar man opdracht ze met water te vullen. Aanvankelijk lekten de vaten flink, maar toen het water in de duigen doordrong en het hout begon uit te zetten, liep er nauwelijks nog iets naar buiten. De avond viel en er werden kookvuren aangestoken. Op de voorraadwagen hadden zakken graan voor de paarden gelegen. Als ze er zuinig mee deden zouden ze zich daar wel een week mee redden. De paarden zouden dan wel honger krijgen en dus minder sterk worden, maar de kans dat ze vanuit het fort met de cavalerie een aanval gingen inzetten was erg klein. Arnaut zette wachters op de omloop van de palissade en gaf opdracht dat hij gewekt moest worden zodra er iets van de vijand te zien of te horen was. De kans dat ze hierheen kwamen achtte hij echter klein. ‘Als het klopt wat jij zegt,’ zei hij tegen Gilan terwijl ze bij een klein vuurtje aan de koffie zaten, ‘zullen ze tot het vallen van de avond wachten met oversteken. Ik denk dat ze daarna voor de nacht hun tenten op de vlakte langs de rivier hebben opgeslagen. Ik kan me niet voorstellen dat ze in het donker het bos in zijn getrokken. Daar zou de kans op een hinderlaag van ons te groot zijn.’ ‘Misschien hadden we ook wel zo’n hinderlaag moeten organiseren,’ zei Gilan, maar daar was Arnaut het niet mee eens. ‘Nachtelijke gevechten zijn te riskant. Dan kan er te veel misgaan. Dan kunnen we hun aantal wel flink uitdunnen, maar wij zouden dan ook heel wat mannen kwijtraken. En we kunnen er geen missen.’ ‘En dus wachten we ze hier op.’ ‘Ja, we wachten hier en zullen wel zien wat ze van plan zijn.’ ‘Denk je dat ze ons gaan aanvallen?’ vroeg Gilan. Arnaut keek een tijdje strak in het vuur voordat hij antwoord gaf. ‘Ik denk het wel,’ zei hij toen. ‘Ze moeten toch minstens één keer de degens met ons kruisen, anders weten ze nog niet hoe sterk wij zijn. Maar dat gaat ze heel wat slachtoffers bezorgen. Ik gok dat ze het één keer zullen proberen en zich dan terugtrekken om de heuvel te omsingelen. Wij hebben te weinig mensen voor een grootschalige tegenaanval, dus dan kunnen we hier niet weg.’ ‘Wat betekent dat we hier zonder hulp van buitenaf als ratten in de val zitten,’ stelde Gilan nuchter vast. Zijn vriend knikte. ‘Ja, en ik denk eigenlijk dat dat al de hele tijd hun plan was.’ Gilan keek hem vragend aan. ‘Waarom denk je dat?’ ‘Ze zijn met veel meer mensen dan we hadden verwacht,’ begon Arnaut. ‘En ze zijn beter georganiseerd dan ons is verteld – en beter bewapend. Misschien is dit wel allemaal een opzetje om ons uit kasteel Araluen te lokken en onze eenheid te verzwakken.’ Gilan nam een lange teug van zijn koffie en dacht even over Arnauts woorden na. ‘Het klinkt logisch,’ zei hij uiteindelijk. ‘Maar Araluen neem je zelfs als het halve garnizoen ontbreekt niet zomaar op een achternamiddag in. Dimon is een goede leider en Cassandra heeft in de loop der jaren ook de nodige ervaring opgedaan. Als ze worden aangevallen, zullen ze heus wel standhouden.’ ‘Laten we het hopen,’ zei Arnaut, maar erg gelukkig klonk hij niet. ‘Intussen zitten wij hier ver weg, op een heuvel, af te wachten.’ De beide mannen zwegen geruime tijd, tot Arnaut er nog iets aan toevoegde: ‘En niemand weet dat we hier zitten.’ @BRK#De vijandelijke eenheid bereikte de voet van de heuvel een uur na zonsopgang. Arnaut en Gilan stonden op de omloop aan de binnenkant van de palissade en keken uit op het vlakke land onder aan de heuvel en op de rijen mannen die uit het bos tevoorschijn kwamen en zich op het open veld opstelden. ‘Het zijn er wel wat minder dan een paar dagen geleden,’ merkte Gilan op. ‘Maar nog altijd meer dan honderddertig man,’ bromde Arnaut. ‘Nog altijd meer dan drie keer zoveel als wij.’ Drie officiers reden naar voren en stopten aan de voet van de heuvel, waar het pad zijn moeizame weg naar boven begon. Gilan herkende de man in het midden als de leider van gisteren. Het witte verband en de mitella om zijn rechterarm staken in het ochtendlicht scherp af. De man stuurde zijn paard naar voren en liep het pad naar boven op. Hij hield de hand van zijn niet-gewonde arm boven zijn ogen tegen het zonlicht en tuurde omhoog. ‘Zou hij weten dat we hier zitten?’ vroeg Gilan, zonder echt antwoord te verwachten. Maar Arnaut gebaarde naar de rook van hun kookvuren, die in dunne grijze pluimen in de ochtendlucht omhoog kringelden. ‘Ja, dat zal hij denk ik wel weten,’ voegde hij aan zijn gebaar toe. Hij keek het fort rond om er zeker van te zijn dat er aan alle kanten wachters stonden, zodat ze de omhoog rijdende leider van de vijand geen moment uit het oog hoefden te verliezen. De twee andere officiers kwamen vlak achter hem aan. De drie ruiters vorderden gestaag. Ze leunden ver voorover in hun zadels en verdwenen na enige tijd uit het zicht van Arnaut en Gilan. Arnaut riep een sergeant aan de westkant van het fort. ‘Heb je hem in het vizier, sergeant?’ De sergeant knikte. ‘Ik zie ze, heer. Ze klimmen verder het pad op.’ Enkele minuten later stak de volgende wachter, op het noordelijk deel van de omloop, zijn hand omhoog. ‘Ik zie de vijand, heer. Nog steeds aan het klimmen.’ En even later kwam de onvermijdelijke en bepaald niet verrassende melding van de wachter aan de oostkant. Aan elk van de vier zijden stonden vijf man – drie cavaleristen en twee boogschutters. Meteen nadat de wachter aan de oostkant had gemeld dat hij de drie zag aankomen, stak een van de boogschutters aan die kant een hand op. ‘Zal ik een schot wagen, heer?’ vroeg hij. Maar Gilan gebaarde hem het even kalm aan te doen. De leider van de vijand was inmiddels wel binnen bereik van een goede pijl-en-boog, maar hij was zich vast bewust van het gevaar en zou zijn schild dus klaar hebben om aanvallen van boven op te vangen. ‘Wees maar zuinig op je pijlen,’ riep Gilan terug. De boogschutter haalde een beetje teleurgesteld zijn schouders op. Gilan richtte zich tot Arnaut. ‘Jammer dat Maddie hier niet is, met haar slinger. Zo’n loden kogeltje tegen zijn helm zou hem wel even aan het denken zetten.’ Arnaut bromde iets onverstaanbaars terug. In tegenstelling tot Gilan was hij blij dat Maddie hier nu niet was. Het kon hier weleens gevaarlijk worden en hij had liever dat zijn dochter veilig was. ‘We zien ze weer, heer!’ riep de wachter aan de oostkant van hun muur en enkele tellen later kwam het trio ruiters de bocht om. Ze waren nu op de op een na hoogste ring van het pad. Nog een rondje en ze zouden het fort hebben bereikt. ‘Bereid je voor op een waarschuwingsschot, vlak langs zijn hoofd,’ zei Arnaut. Gilan pakte onmiddellijk een pijl uit zijn koker en nam zijn positie in. ‘Zo is het ver genoeg!’ schreeuwde Arnaut. Eén tel later legde Gilan aan en vuurde hij af. De pijl suisde naar beneden, een halve meter voorbij het hoofd van de leider van de Vossen. Hij trok geschrokken aan de teugels, zodat zijn paard stopte. Zoals Gilan al had voorspeld hield hij zijn lange, driehoekige schild in zijn rechterhand – de kant van het fort – en beschermde hij het grootste deel van zijn lijf en zijn benen. Op zijn hoofd had hij een helm die ook zijn gezicht beschermde. Hij bracht zijn linkerhand, waarin hij ook al de teugels vasthad, moeizaam naar zijn hoofd en klapte zijn vizier omhoog. ‘U hebt één kans om u over te geven!’ riep hij. De man had een verrassend hoge stem, wat misschien ook wel kwam door de spanning die hij voelde. ‘En meer niet!’ ‘En anders?’ antwoordde Arnaut. De man gebaarde naar zijn eenheid aan de voet van de heuvel. ‘U hebt geen enkele kans om te ontsnappen,’ zei hij. ‘Tegen zo’n overmacht kunt u nooit op. U zit hier vast op deze heuvel.’ ‘En we zitten hier uitstekend,’ antwoordde Arnaut – wat gezien zijn eerdere uitspraken niet helemaal waar was. ‘Als u zoveel manschappen hebt kunt u ons hier toch wel verjagen?’ Ze hadden de meeste kans als de vijand een aanval zou inzetten. De heuvel was heel goed te verdedigen en de boogschutters van Gilan konden een vijandelijke troepenmacht prima aan, ook als die veel meer manschappen telde dan zij. ‘Laat me u iets vragen,’ riep de leider van de Vossen. Hij klonk boos. ‘Wat denkt u dat er bij kasteel Araluen gebeurt terwijl u hier duimen zit te draaien?’ De blik van Arnaut versomberde. Hij werd hier vastgehouden en kon verder niks nuttigs doen, en intussen kon iedereen kasteel Araluen aanvallen. Maar hij wilde de vijand niet in de kaart spelen door daar een discussie over te beginnen. ‘Laat mij u ook iets vragen,’ antwoordde hij daarom. ‘Hoe dacht u van die heuvel weer naar beneden te komen?’ De ruiter wist even niet wat hij daarop moest zeggen. Gilan gaf opdracht aan de twee boogschutters op de zuidelijke muur. ‘Schutters, naar voren.’ De twee deden wat er van ze werd gevraagd en stapten naar de rand van de palissade. Vanaf beneden zag de leider van de Vossen twee hoofden boven de houten omheining uit komen. Hun bogen waren ook duidelijk te zien. Zijn paard, dat zijn plotselinge angst voelde, brieste en probeerde te steigeren. Met een uiterste inspanning hield de man hem nog in bedwang. Daarna richtte hij zich weer tot Arnaut. ‘U mag niet op me schieten! Ik kwam hier om te onderhandelen!’ Arnaut grijnsde. ‘Ik heb u hier niet uitgenodigd,’ zei hij. ‘En ik zie geen enkele vredesvlag. Ik heb alle recht om mijn manschappen opdracht tot schieten te geven.’ De leider van de Vossen had zijn paard weer onder controle en schuifelde zenuwachtig achteruit het pad weer af, naar beneden. Als hij zich omdraaide zou zijn schild aan de verkeerde kant zitten en zou hij zich blootstellen aan pijlen van boven. Hij zou zijn schild met zijn andere hand moeten overpakken en dat zou, met zijn gewonde rechterarm in het verband, een moeizame, onhandige ingreep zijn. Gilan wist dat Arnaut zijn manschappen nooit opdracht zou geven een man neer te schieten, zelfs niet als dat een vijand was, als die zich niet kon verweren. ‘Als we hem doodschieten besparen we ons een hoop problemen,’ zei hij zachtjes. Maar Arnaut schudde zijn hoofd. ‘Dan neemt de volgende het commando over,’ zei hij, ‘en die weet misschien wel wat hij moet doen.’ ‘We laten hem dus gaan?’ vroeg Gilan. Hij was opgeleid door Halt, die weinig ruimte liet voor de eer of een fatsoenlijke behandeling van de vijand. Wat Halt betreft liet je een vijand niet meer ontkomen als hij zich in een benarde positie bevond. Arnaut keek hem streng aan. Hij wist wat Gilan dacht, maar weigerde van zijn eigen maatstaven voor rechtvaardigheid af te wijken. ‘Ja, we laten hem gaan,’ antwoordde hij. ‘Voor nu in elk geval wel.’