HOOFDSTUK 25 @BRK#Hal Mikkelson vormde nogal een contrast met zijn scheepsmaat Stig. Hij was tengerder en minder lang, maar wel fit en gespierd. Zijn haar was lichtbruin en zo lang dat hij het in een staartje had vastgebonden. Hij was gladgeschoren en Maddie kon niet anders vaststellen dan dat hij erg knap was. Zijn bruine ogen keken haar vriendelijk aan terwijl hij zijn hand uitstak om haar te begroeten. ‘Prinses Madelyn,’ zei hij terwijl ze de Skandische hand schudde. In zijn blik was heel even verbazing te zien op het moment dat hij voelde hoe stevig ze zijn handdruk beantwoordde. ‘Zeg maar Maddie,’ zei ze. Hij knikte, blij met haar informele opstelling. Skandiërs hadden een hekel aan deftigheid. Ze hoorde Dimon afkeurend zijn keel schrapen. Ze nam aan dat hij zich ergerde aan de losheid waarmee Hal haar tegemoet trad. De skirl, zoals ze begreep dat zijn functie heette, draaide zich naar Cassandra en er brak een brede lach op zijn gezicht door. Hij liet Maddies hand los en deed een stap naar voren om haar moeder te omhelzen. Opnieuw stond Dimon er ongemakkelijk bij. ‘Cassandra,’ zei Hal. ‘Wat fijn om je weer te zien.’ ‘Dat is helemaal wederzijds, Hal. Wat is het alweer lang geleden,’ antwoordde Cassandra. Nadat ze zich uit Hals omhelzing had losgemaakt legde ze even een hand op Maddies arm en wees ze op een derde Skandiër. ‘En dit is Thorn,’ zei ze, om er na een korte stilte aan toe te voegen: ‘Ik weet eigenlijk niet of ik jouw achternaam ooit heb meegekregen, Thorn.’ Thorn was anders dan alle andere mensen die Maddie ooit had ontmoet. Hij was een stuk ouder dan die andere twee. Hij was lang en stevig gebouwd – een beetje een teddybeer, dacht ze – en ze zag wel dat hij vooral één bonk spieren was. Zijn staalgrijze haar groeide alle kanten op en hij had het voor de gelegenheid in twee vlechten gebonden. Zijn snor en baard zagen er al even onverzorgd uit. Zijn snor was zelfs scheef, want de ene kant was aanzienlijk langer geleden voor het laatst bijgewerkt dan de andere. Dat kwam doordat er een paar dagen geleden, terwijl hij een naad op het dek aan het teren was, per ongeluk een flinke klodder van het taaie spul op de rechterkant van zijn snor had gesmeerd. Met wassen was het er niet uit gegaan – en wassen was toch al geen hobby van hem – en daarom had hij het er maar gewoon uit gesneden met zijn sax. Thorn ging gekleed in de strakke broek en de van zeehondenhuid gemaakte laarzen die vrijwel elke Skandische zeeman droeg. Aan zijn bovenlijf had hij een vest van schapenvacht dat elke beschrijving tartte. Maddie vermoedde althans dat het ooit van schapenvacht was geweest. Het zat nu zo vol met lukraak aangebrachte lappen en dichtgenaaide scheuren dat Maddie na een wat nadere bestudering tot de conclusie kwam dat het bij elkaar meer herstelwerk dan schapenvacht was. Hij had blauwe ogen die een haarscherpe blik verrieden. Hij zag eruit alsof hij de wereld voortdurend licht geamuseerd bekeek en Maddie mocht deze rouwdouwer onmiddellijk. Het opmerkelijkst aan de man was zijn rechterhand – of eigenlijk het ontbreken daarvan. Zijn arm hield er halverwege de onderste helft mee op en werd vanaf daar vervangen door een glanzende houten haak. Hij zwaaide ermee en beantwoordde de impliciete vraag van Cassandra. ‘Thorn Haakmans, koninklijke dame,’ zei hij met een grijns van oor tot oor. Thorn had nog minder respect voor hoe het hoorde en voor titels van adellijke mensen dan de meeste andere Skandiërs. ‘Nou, wij kennen hem eigenlijk vooral als Thorn Hamerhand,’ zei Stig. Maddie bekeek het tafereel met stijgende verbazing. De houten haak zag er scherp uit, maar leek absoluut niet op een hamer. ‘Hamerhand?’ vroeg ze. Stig legde het uit. ‘Als wij ergens moeten vechten vervangt hij die haak door een enorme knuppel die Hal voor hem heeft gemaakt. Die past precies om het uiteinde van zijn arm en hij kan er helmen, schilden en wapenrustingen dwars mee doormidden slaan.’ Hij lachte. ‘Op het slagveld is hij verschrikkelijk.’ ‘En niet alleen op het slagveld,’ viel Hal hem in de rede en alle drie de Skandiërs barstten in lachen uit. Cassandra lachte voluit met ze mee. Hal gebaarde naar het schip, dat een paar meter verderop afgemeerd lag. ‘Kom, dan stel ik je aan de rest van de bemanning voor,’ zei hij. En tegen Cassandra: ‘Ze zullen blij zijn u weer te zien, prinses.’ Ze liepen over de steiger naar het kleine schip. Hal hielp Cassandra eerst over de verschansing en daarna het dek op. Stig stak een hand naar Maddie uit, maar daar had ze geen aandacht voor. Ze stapte soepel over de ruimte tussen de steiger en het schip heen de verschansing op, en sprong daarna makkelijk het dek op. Thorn zag het tevreden gebeuren. Ze was dus niet zo’n giechelend en zelfingenomen prinsesje als hij had verwacht. Maar ja, het was dan ook wel de dochter van Cassandra. Ze was slank en ze bewoog zich makkelijk, net als haar moeder – maar ze liep wel een heel klein beetje mank, zag hij. Met zijn scherpe ogen zag hij ook de slinger die ze samen met het buideltje loden balletjes keurig om haar riem heen had geslagen. Verder viel hem de sax in de schede op haar rechterheup op. Het was bepaald niet het soort wapen dat je bij een vrouw van het hof zou verwachten. Ze was al met al een fascinerende verschijning. Toen ze aan de rest van de bemanning werd voorgesteld, begreep hij uit de manier waarop ze met hen praatte dat ze zich in een mannengezelschap uitstekend op haar gemak voelde. Ze was er in elk geval absoluut niet door geïntimideerd. Hij stelde ook vast dat de Reigers goed op haar reageerden en haar met respect, maar als hun gelijke behandelden. Zij is meer dan alleen maar een mooi plaatje, concludeerde hij. Cassandra keek met een vragende blik om zich heen. ‘Waar is Lydia? Is ze niet meer bij jullie?’ Stig glimlachte een beetje droevig. ‘O, zij is nog gewoon een van de Reigers hoor,’ zei hij. ‘Maar Agaat, de oude vrouw die haar in huis nam toen ze in Hallasholm kwam wonen, is ernstig ziek. Agaat was al die jaren een soort surrogaatmoeder voor Lydia. De genezers denken niet dat ze nog lang te leven heeft en Lydia vond dat ze deze reis beter kon overslaan om bij haar te zijn.’ ‘En dat vinden we erg jammer,’ zei de reusachtige man met vreemde donkere stukken schildpaddenschild voor zijn ogen. Hij heette Ingvar, herinnerde ze zich nog. ‘We missen haar.’ Cassandra richtte zich teleurgesteld tot haar dochter. ‘Dat is inderdaad jammer. Ik had het zo leuk gevonden om jou aan haar voor te stellen. Lydia is geweldig, en ze doet als krijger niks onder voor de rest van dit zooitje.’ Ze maakte een alomvattend gebaar naar de hele bemanning van het schip. Doordat ze erbij glimlachte vatte geen van de Reigers haar woordgebruik als een belediging op. Enkelen gaven blijk van hun instemming met haar woorden. Thorn dacht even over Cassandra’s woorden na. Waarom wilde ze zo graag dat haar dochter met een krijger als Lydia kennismaakte? Hij bekeek Maddie nogmaals. Ingvar had haar meegenomen naar het voorschip en liet haar de mogelijkheden zien van de Morzel, de reusachtige kruisboog die op de boeg van de Reiger was geïnstalleerd. De jonge vrouw onderzocht het wapen met wat eruitzag als professionele belangstelling. Heel veel meer dan alleen maar een mooi plaatje, stelde hij nogmaals vast. Cassandra stapte weer over de verschansing de steiger op, en Stig, Hal en Thorn volgden haar voorbeeld. Maddie nam met een glimlach afscheid van Ingvar. De donkere schildjes voor zijn ogen zagen er aanvankelijk een beetje dreigend uit, maar zodra je met Ingvar in gesprek raakte, werd duidelijk dat het een erg aardige jongen was. ‘Ik heb een lunch in het park bij het kasteel georganiseerd,’ zei Cassandra terwijl ze naar de paarden toe liep. Ze stopte even en keek om naar het schip. ‘De hele bemanning is natuurlijk van harte welkom.’ Hal schudde zijn hoofd. ‘Dat is heel aardig, maar de jongens blijven hier. We zijn onderweg in een flinke storm terechtgekomen en het schip heeft nogal wat schade opgelopen. Er moeten touwen worden gevlochten en reparaties worden verricht.’ ‘Ik begrijp het. In dat geval zal ik wat eten naar het schip laten brengen,’ zei Cassandra. ‘Graag, en véél!’ riep Ingvar, en iedereen lachte. Ze bestegen hun paarden. Hal en Stig voelden zich op hun paarden redelijk op hun gemak, maar Thorn zag er een stuk onwenniger uit. Hij hield de teugels stijf vast in zijn linkerhand en bekeek de slaperige pony die hem was toegewezen wantrouwend. ‘Rij je niet graag paard?’ vroeg Maddie grijnzend. ‘Als er geen roer en geen helmstok aan zit vertrouw ik het niet,’ antwoordde de oude zeewolf. ‘En als ik zo’n ding wil laten stoppen kan ik het anker ook nooit vinden.’ ‘Met dat beestje zal starten een groter probleem zijn,’ zei Maddie tegen hem. Hij zat op de pony die eruitzag alsof hij zelfs lopend in slaap kon vallen. ‘Komt mij niet slecht uit,’ zei Thorn met opeengeklemde kaken. De Araluenen zouden normaal gesproken in een rustig drafje naar het kasteel zijn teruggekeerd, maar uit eerbied voor hun gasten kozen ze nu voor een statige wandelpas. ‘De Reiger ziet er goed uit,’ zei Cassandra tegen Hal. Hij glimlachte, maar keek er niet erg vrolijk bij. ‘Jawel, maar het schip vergt wel steeds meer onderhoud. Het begint oud te worden. Ik ben bang dat ik een dezer dagen een nieuwe zal moeten bouwen, maar ik vind het een vreselijk idee om afscheid te nemen. Dit zou weleens zijn laatste reis kunnen zijn.’ ‘Over reizen gesproken: waarom zijn jullie hier precies? In het bericht dat ik ontving stond dat het te maken had met de boogschutters die we jullie hadden gestuurd.’ Will had jaren geleden een verdrag opgesteld waarin Araluen toezegde elk jaar honderd boogschutters naar Skandia te sturen. Die konden dan helpen in de strijd tegen de Temujai. In ruil daarvoor stelde Erak een wolvenschip voor de koning beschikbaar, waarmee berichten konden worden verstuurd, en smokkel en piraterij werden bestreden. In het verdrag was verder vastgelegd dat de Skandiërs geen plundertochten langs de Aralueense kust meer zouden uitvoeren. ‘Erak vroeg zich af of we dit jaar wat meer boogschutters kunnen krijgen,’ legde Hal uit. ‘Een man of twintig erbij zou heel fijn zijn.’ Cassandra keek hem een beetje verbaasd aan. ‘Dat zal geen probleem zijn, maar waarom? Verwachten jullie moeilijkheden?’ De pony van Hal struikelde bijna over de wortel van een boom. Hij liet onmiddellijk de teugels vallen en greep zich vast aan de knop van zijn zadel. Cassandra glimlachte en gaf hem even de tijd om de teugels weer te pakken en van de schrik te herstellen. ‘Hij heeft vier benen. Waarom kan hij daarmee zijn evenwicht niet bewaren?’ wilde Hal weten. ‘Rare jongens hoor, die Skandiërs,’ zei Cassandra. ‘Op een schip dat door metershoge golven urenlang alle kanten op wordt geslingerd behouden jullie moeiteloos je evenwicht, maar als een paard ook maar even niest zijn jullie meteen bang om eraf te vallen.’ ‘Een schip kun je vertrouwen,’ legde Hal uit. ‘Paarden kunnen boos worden. En bijten.’ Dat laatste voegde hij er veelbetekenend aan toe en Maddie, die vlak achter Hal reed, vroeg zich af of die opmerking een voorgeschiedenis had. ‘Maar om je vraag te beantwoorden,’ ging Hal verder. ‘Ja, we maken ons wel een beetje zorgen om de Temujai. Ze lopen de laatste tijd erg nadrukkelijk langs onze grenzen rond te neuzen en Erak vermoedt dat ze iets van plan zijn. Hun Sha’shan heeft ons nooit vergeven dat we hem lang geleden gevangen hebben genomen.’ Cassandra keek hem belangstellend aan. ‘Daar weet ik helemaal niks van.’ Hal lachte. ‘Dat is nogal een verhaal,’ zei hij. ‘Ze zijn er lang stil van geweest, maar langzamerhand worden ze weer rusteloos. Vandaar dat Erak wel wat extra boogschutters kan gebruiken. In ruil biedt hij een extra lading hout en huiden aan. Ik heb de bevoegdheid om over de hoeveelheid te onderhandelen.’ ‘O, daar komen we vast wel uit,’ antwoordde Cassandra. ‘We zullen alleen wel even moeten wachten tot Arnaut en zijn mannen terug zijn.’ Hal keek haar teleurgesteld aan. ‘Is Arnaut er niet?’ Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, hij is naar het noorden gegaan, op zoek naar een vervelend stelletje, de Clan van de Rode Vos. We verwachten hem over een dag of tien terug.’ ‘Jammer,’ zei Hal. ‘Dan zijn wij waarschijnlijk alweer vertrokken.’ Hij zweeg even. ‘Trouwens,’ voegde hij er toen aan toe, ‘toen we een paar weken geleden om de Schuilkaap heen voeren, zagen we een schip uit Zonderland dat stampvol soldaten zat. Ze voeren naar het zuiden. Hebben jullie daar nog iets van gemerkt?’ Cassandra schudde haar hoofd. ‘Nee, die hebben we niet gezien.’ Dimon, die vlak achter ze reed, beantwoordde de vraag verder. ‘Ik denk dat die onderweg waren naar Iberia. We hebben deze week met de ambassadeur van dat land gedineerd en hij vertelde dat ze huurlingen uit Zonderland hadden aangetrokken om een opstand in een van hun provincies de kop in te drukken.’ Hal knikte. ‘Mooi, daar hebben jullie dus geen last van. Maar hoe dan ook, als we het eens zijn over de voorwaarden en nieuwe rantsoenen voor op de Reiger hebben ingeslagen, gaan we toch weer terug naar Skandia.’ ‘Over rantsoenen gesproken,’ zei Cassandra. ‘We wilden morgen gaan jagen. Het bos zit vol herten en reeën, en er zijn ook heel wat wilde zwijnen. En in de meren natuurlijk ganzen en eenden.’ ‘Daar zal Edvin blij mee zijn,’ zei Hal. ‘Hij grijpt elke gelegenheid aan wat extra vers vlees in te slaan.’ ‘En daar zal Ingvar ook blij mee zijn,’ vulde Stig aan. ‘Hij eet het namelijk graag op.’