HOOFDSTUK 21 @BRK#De acht boogschutters verlieten hun posities en holden naar de oever van de rivier, waar ruiters klaarstonden om ze de rivier over te helpen. Ze gaven hun bogen aan de mannen op de paarden en pakten zich vast aan de riemen van de stijgbeugels of het zadel. Sommige paarden hadden leren tuigage om hun nek, en ook daar konden de boogschutters zich heel goed aan vasthouden. De cavaleristen wachtten tot hun ‘passagiers’ er klaar voor waren en leidden de paarden daarna de rivier in. Gilan zag dat zijn manschappen aan de oversteek waren begonnen. Zelf reed hij achterstevoren naar de oever van de rivier toe. Intussen hield hij de bosrand en de Vossen scherp in de gaten. Zoals hij wel had verwacht waren zowel de discipline als de bereidheid om te vechten bij de vijand tot het nulpunt gedaald. Ze stonden zich tussen de bomen te verschuilen, want daar hadden ze tenminste bescherming tegen de dodelijke pijlen – zelfs nu ze ver buiten het bereik van die pijlen waren, waren ze niet erg tot actie te bewegen. Hun commandant had zijn linkerarm in een mitella en om zijn schouder een steeds roder wordend stuk verband. Zonder enig succes probeerde hij de mannen aan te sporen. Hij deed een beroep op hun moed, dreigde ze niet te betalen en stelde elke vijfde weigeraar zweepslagen in het vooruitzicht. Ze durfden hem niet goed aan te kijken en wendden hun blik zo onopvallend mogelijk naar het gras, maar mentaal waren ze door de tegenslag van daarnet uitgeput. De sergeant die ze uiteindelijk een veilige aftocht had geboden had meer begrip voor hun gemoedstoestand gehad, en als iemand al eens naar de boze commandant keek, dan sprak er duidelijk haat uit zijn blik. Jij kunt hier wel gaan staan schreeuwen en tieren, dachten ze, maar jij bleef veilig tussen de bomen staan toen wij als schietschijven voor die vervloekte boogschutters van de tegenstander mochten dienen. Een leider die zelf probeerde het ongemak van zijn manschappen te ontlopen en niet de risico’s wenste te dragen waar hij zijn mensen toe aanzette, was het respect van zijn eenheid en hun bereidheid om hem te gehoorzamen snel kwijt. Hun commandant bleek echter te traag van begrip om dat door te hebben. Uiteindelijk zou de discipline onder de Vossen door al die dreigementen en al dat geschreeuw zich wel weer herstellen, maar alleen tot op zekere hoogte. Bovendien ging dat tijd kosten, en in die tijd maakte de vijand zich door de rivier heen uit de voeten. @BRK#Gilan wachtte op de zuidelijke oever tot de tweede groep boogschutters de oversteek bijna had voltooid. Intussen hield hij de Vossen scherp in de gaten. Toen hij nog altijd geen begin van een volgende aanval zag, draaide hij Bles naar de rivier toe en spoorde hij zijn paard aan tot de oversteek. Half lopend, half zwemmend baande ze zich een weg naar de overkant. Ze was kleiner dan de paarden van de cavalerie en het water reikte bijna tot aan haar zadel. Gilan was een voortreffelijke ruiter en hij behield ondanks de onregelmatige voortgang van Bles zijn evenwicht. Hij zat muurvast in het zadel en liet zijn paard vol vertrouwen door de rivier heen ploeteren. Na enige tijd voelde hij hoe de rivier weer ondieper werd. De tred van Bles werd evenwichtiger en even later dribbelde ze de noordelijke oever op en schudde ze het water uit haar vacht. Een douche van rivierwater glinsterde zilverwit in het zonlicht. Arnaut, die op Gilan had staan wachten, kreeg de volle laag. ‘Heel hartelijk dank,’ zei hij spottend, terwijl hij wat water van zijn gezicht veegde. Gilan kon er wel om lachen. ‘Het is niet mijn schuld dat jij niet weet dat paarden dat altijd doen zodra ze uit het water komen.’ Arnaut hield een hand boven zijn ogen en keek weer naar de overkant. ‘Daar gebeurt nog steeds niks?’ Gilan ging in zijn stijgbeugels staan en volgde de blik van zijn krijgsmakker. ‘Het zal nog wel even duren voordat ze weer in beweging komen,’ zei hij. ‘Onze boogschutters hebben ze twee keer flink op hun lazer gegeven, en ik denk dat ze het zo wel even genoeg vinden.’ ‘Als ze zien dat wij weer verder zijn getrokken wordt dat misschien wel anders,’ zei Arnaut. Gilan dacht daar even over na. ‘Denk je dat ze achter ons aan blijven komen?’ vroeg hij na een tijdje. Arnaut knikte. ‘Ik zou niet weten waarom niet. Ze hebben ons niet voor niks hiernaartoe gelokt, maar wat ze ook wilden bereiken, voorlopig is het nog niet gelukt.’ Gilan keek om zich heen. Het landschap verschilde hier niet erg van dat aan de overkant, met eerst een meter of honderd redelijk open veld, en daar voorbij een donker bos. Op een meter of veertig van de rivier zag hij een rij lage struiken van ongeveer vijftien meter breed. Daar kon zich prima een klein groepje mannen achter verschuilen. ‘Ik blijf hier met vier man achter,’ zei hij en hij gebaarde naar de struiken. ‘Als de Vossen weer wat moed bij elkaar hebben geraapt en alsnog willen oversteken, kunnen wij ze op andere gedachten proberen te brengen.’ ‘En wat gebeurt er als jullie hier vertrekken?’ vroeg Arnaut. Gilan haalde zijn schouders op. ‘Als het meezit merken ze niet eens dat we al weg zijn. Ik laat mijn mannen een voor een weggaan, en ze moeten dan zo diep mogelijk gebukt naar het bos lopen. Als jullie daar een paar paarden voor ons achterlaten, moeten we een flinke voorsprong op ze kunnen nemen.’ Arnaut dacht even over het plan na. ‘Dat moet wel lukken, ja,’ zei hij toen. ‘Zonder paarden moeten ze waarschijnlijk touwen over de rivier spannen voordat de hele eenheid kan oversteken. De eerste mannen moeten dus met het touw naar de overkant zwemmen.’ ‘En dan zijn ze een ideaal doelwit,’ legde Gilan verder uit. ‘Als we de eerste drie of vier uitschakelen zal de rest weinig zin hebben om ze achterna te komen. Tegen de tijd dat ze doorhebben dat wij weg zijn, hebben we dan vast wel een flinke voorsprong.’ ‘Ik neem aan dat jij als laatste gaat?’ vroeg Arnaut. Gilan glimlachte. ‘Natuurlijk,’ antwoordde hij. ‘Ik ga niet van iemand anders vragen om als laatste achter te blijven. Bovendien kan ik het beste schieten, dus strategisch is het ook wel logisch.’ ‘Ik had niet anders verwacht,’ zei Arnaut instemmend. Hij zou in Gilans positie hetzelfde gedaan hebben. En het was ook tamelijk logisch om je beste schutter voor het laatst te bewaren. ‘Jij moet nu wel echt gaan,’ zei Gilan tegen hem. Het klonk zakelijk. Hij gebaarde naar de overkant, naar de mannen die zich daar nog steeds tussen de bomen schuilhielden. ‘Ze blijven daar niet eeuwig rondlummelen.’ Hij kwam van zijn paard af en liep snel naar zijn boogschutters. De meesten hadden hun drijfnatte kleren uitgetrokken en probeerden die nu zo goed en zo kwaad als het ging uit te wringen. Ze keken op toen ze hun leider zagen naderen. ‘Goed mannen, aankleden en aan de slag. Zoek de paarden waarmee jullie zijn overgestoken. Nestor, Ken, Gilbert en Walter, jullie blijven bij mij. Heeft iedereen voldoende pijlen?’ Twee van de mannen knikten. De anderen keken even in hun kokers. Een van hen had nog drie pijlen, de ander vijf. ‘Vul maar aan uit de voorraad op de materiaalwagen. En neem er meteen ook nog een paar voor de anderen mee. Hup, snel!’ De twee boogschutters haastten zich naar de materiaalwagen, waar in een grote tas tweeduizend extra pijlen opgeslagen lagen. Enkele minuten later leidde Arnaut zijn eenheid het bos in, en daarvandaan naar het westen. De paarden voor de vier man die bij Gilan zouden blijven, waren uit het zicht van de mensen aan de overkant aan bomen vastgebonden. Gilan bracht Bles naar de bosrand en liet de teugels, zodra ze uit het zicht waren, op de grond vallen. Het paard zou daar wachten tot hij haar kwam halen. Hij keerde, zo diep mogelijk gebukt, terug naar de rij struiken waarachter de anderen afwachtten. Veilig verstopt achter de struiken luisterden ze hoe Gilan zijn plan ontvouwde. ‘Blijf uit het zicht,’ zei hij. ‘Ze hoeven pas te weten dat we er nog zijn als we met schieten beginnen. Daarna gaan jullie een voor een het bos in, achter de rest van de eenheid aan. Zorg dat ze jullie niet zien weggaan. De vijand moet denken dat we hier nog zitten, liefst tot ver nadat we zijn vertrokken.’ De vier mannen knikten. Ze moesten er ook om lachen. Ze vonden het een leuk gevecht. Strijd betekende meestal dat ze zich in een linie moesten opstellen en de ene pijl na de andere de lucht in moesten schieten, zodat er een regen van projectielen op de tegenstander neerdaalde. Dat was vaak nogal onpersoonlijk en je kwam er vaak niet achter of jouw pijlen enig nut hadden gehad. Deze confrontatie was anders. Ze hadden met eigen ogen gezien hoe hun pijlen oprukkende tegenstanders uitschakelden, en ze hadden de chaos en onzekerheid kunnen zien die ze daarmee veroorzaakten. En tot nu toe hadden ze zelf nog geen enkele schade opgelopen. ‘Maak het je maar even gemakkelijk,’ zei Gilan. ‘Ik zal eens kijken wat onze vrienden aan de overkant momenteel aan het doen zijn.’ Ze gingen in het gras zitten. Zoals soldaten waar ook ter wereld waren ze er heel goed in om elke kans op een beetje rust met beide handen aan te grijpen. Binnen enkele minuten lagen twee van hen zelfs met hun hoofd op hun plunjezak zachtjes te snurken. Gilan keek er glimlachend naar. Nestor, de oudste van de groep, zag Gilan kijken. ‘Die jongens kunnen overal slapen,’ zei hij, ook lachend. ‘Als ze halverwege de rivier hadden moeten stoppen waren ze waarschijnlijk ook in slaap gevallen.’ De zon scheen op hun rug en voelde warm aan, zodat hun kleren snel opdroogden. Ze zouden straks natuurlijk nog wel een beetje vochtig zijn, maar niet meer als een loden last om hun lijf hangen. Gilan zette zijn capuchon op om te voorkomen dat zijn bleke gezicht hem zou verraden en ging gehurkt achter de struiken zitten. Hij vond een smalle opening waardoor hij de overkant van de rivier goed kon zien. Er zoemde een vlieg om zijn hoofd. Hij wilde het beestje met zijn hand wegjagen, maar kon de aanvechting onderdrukken. De vijand zou zo’n beweging weleens kunnen zien. En dus tuitte hij zijn lippen en probeerde hij het vlak voor zijn gezicht vliegende insect weg te blazen. De tijd verstreek en in de verte stierf het geluid van Arnaut en zijn mannen – het rinkelen van de wapenrustingen, het rammelen van de wapens en de doffe klank van hoeven op het gras – stukje bij beetje verder weg. De vlieg werd steeds hinderlijker, maar Gilan voelde vooral – hoezeer hij zich ook verzette – dat zijn ogen langzaam dicht zakten. Hij schudde zijn hoofd en zocht snel naar een wat minder makkelijke houding, op één knie steunend. Walter en Ken snurkten zachtjes verder. Hij zag aan de overkant van de rivier iets bewegen en kwam gauw wat verder overeind. Hij zorgde dat hij uit het zicht bleef, maar nam de gebeurtenissen haarfijn waar. Een stuk of twaalf mannen waren vanuit het bos onderweg naar de oever van de rivier. Ze bewogen voorzichtig, want ze verwachtten elk ogenblik een bombardement van pijlen. Naarmate dat langer uitbleef nam hun zelfvertrouwen toe. Aanvankelijk liepen ze diep voorover gebukt, maar geleidelijk kwamen ze verder overeind en gingen ze harder lopen. Gilan zag vanuit zijn verstopplek dat drie van hen lange stukken dik touw om hun schouders droegen. Hij knikte naar Nestor en gebaarde naar de twee slapende mannen. De oudere boogschutter stak een hand naar ze uit en schudde ze zachtjes wakker. Het waren ervaren krijgers, dus ze ontwaakten geluidloos en waren onmiddellijk klaar voor actie. ‘Ze komen eraan,’ fluisterde Gilan. ‘In positie.’ De vier boogschutters bewogen voorzichtig, tot ze de gewenste posities hadden ingenomen, elk op één knie naast elkaar, verborgen achter de struiken. Ze hadden allemaal een pijl uit hun koker gepakt en schietklaar op hun boog gelegd. Ze keken verwachtingsvol naar de Jager, die voor een beter zicht iets verder naar voren was gegaan, maar zich nog wel tussen de struiken schuilhield. ‘Nog niet,’ zei hij zachtjes. De drie mannen met de touwen stonden aan de waterkant. Ze tilden de touwen van hun schouders en bonden een uiteinde vast aan een ankerpunt, zoals een taai boompje of een diep ingegraven rotsblok. Ze trokken op hun ondergoed na hun kleren uit en bonden de touwen om hun middel. ‘Ze gaan proberen de touwen naar de overkant te zwemmen,’ fluisterde Gilan. ‘We wachten tot ze halverwege zijn, dan schieten we.’ Gadegeslagen door hun kameraden, die gehurkt achter hun schilden op de kant afwachtten, waadden de drie mannen met de touwen de rivier in. Een van hen slaakte even een gil toen hij voelde hoe sterk de stroming was. Hij herstelde zich snel en waadde verder. Binnen enkele meters stonden ze tot aan hun schouders in het water en waren ze gedwongen verder te zwemmen. En zodra hun voeten los van de bodem kwamen werden ze meegetrokken door de stroming. Gilan kon zien dat het goede zwemmers waren en dat ze niet alleen zijwaarts, maar ook naar voren bewogen. Hij pikte de man die als eerste het water in was gegaan eruit. Dat was duidelijk de sterkste van de drie, want hij was al een paar meter op de andere twee uitgelopen. ‘Ik neem die eerste voor mijn rekening,’ zei Gilan terwijl hij langzaam overeind kwam. ‘Die andere twee zijn voor jullie.’ Zijn vier schutters kwamen ook overeind, waardoor hun hoofden en schouders boven de struiken uit staken. De mannen aan de overkant keken natuurlijk vooral naar de zwemmers, die het touw langzaam afwikkelden en zich een weg naar de overkant baanden. Doordat ze tot nu toe niet onder vuur waren genomen voelden ze zich redelijk veilig – ten onrechte, zou gauw blijken. Gilan tilde zijn boog op en mikte op de voorste zwemmer. Naast zich voelde hij dat de andere schutters ook aanlegden. ‘Nu,’ zei hij zachtjes, en hij schoot.