HOOFDSTUK 17 @BRK#Het was koud in de tunnel, en het duister leek het licht van haar lantaarn binnen een paar meter op te slokken. Maddie liep een beetje voorovergebogen, want erg hoog was de tunnel niet – hoewel er af en toe een stukje kwam waar het plafond ineens zeker een meter hoger was dan elders. Uit de grotere hobbeligheid van de bodem op die plekken begreep ze dat er daar hele stukken aarde naar beneden waren komen vallen. ‘Ik hoop maar dat er niet zoiets gebeurt terwijl ik hier zit,’ mompelde ze. Het idee dat ze hier levend kon worden begraven was niet erg prettig, en ze werd niet rustiger toen ze zich realiseerde dat niemand wist waar ze was. Als er iets misging zou ze nooit worden gevonden. Misschien zou Uldred zich nog herinneren dat ze naar een geheime tunnel op zoek was geweest, maar dan moesten degenen die naar haar gingen zoeken eerst uitvinden waar die tunnel zich bevond en daarna hoe die geopend moest worden. Even verderop werd de tunnel weer lager en de bodem minder hobbelig, zodat ze de nare gedachten van zich af kon schudden. De doorgang in de kleine ruimte viel niet mee. Het enige licht was dat van haar lantaarn, waardoor ze geen idee had hoe ver ze was en hoe ver ze nog te gaan had. Te laat besefte ze dat ze haar stappen al een tijdje niet meer telde en dat ze dus niet kon uitrekenen welke afstand ze inmiddels in de tunnel had afgelegd. ‘Lekkere ontdekker ben jij,’ zei ze vol afkeuring tegen zichzelf. De muren en de bodem waren hier in elk geval droog, in tegenstelling tot het stuk van de tunnel dat onder de slotgracht door liep. Dat was met al het doorsijpelende water en de zompige, spekgladde bodem heel onaangenaam geweest. Vanuit het niets doemde er ineens een stenen wand voor haar op. In het schijnsel van haar lantaarn zag hij er onneembaar dik uit. Ze voelde zich diep teleurgesteld. Er kwam in deze doodlopende gang dus zomaar een einde aan haar ondergrondse avontuur. Degenen die de tunnel ooit hadden gegraven zullen het ook erg jammer hebben gevonden dat ze hier ineens op een ondoordringbare rotspartij waren gestuit, dacht ze. Ze deed nog een stap naar voren om de rotspartij beter te bekijken en begreep daardoor dat dit toch niet het einde was. De tunnel maakte namelijk een scherpe bocht, juist om die rotspartij te omzeilen. Het stuk langs de rotsen was zo smal dat ze er alleen zijwaarts doorheen kon en er haar adem in moest houden. Maar even later werd de tunnel weer wat ruimer en ging hij ook weer in zijn oorspronkelijke richting verder. Met wat meer vertrouwen in de goede afloop liep ze verder. Ze voelde hoe de route ook langzaam omhoog begon te lopen. Ze stopte even. Na ten minste een halfuur inktzwarte duisternis meende ze in de verte iets te zien. Ze was zo dom om haar lantaarn vóór zich te houden, en het schijnsel van de vlam maakte wat ze in de verte had gezien – of dacht te hebben gezien – op slag onzichtbaar. Ze liet de lantaarn zakken en verborg hem achter haar rug, zodat ze geen last meer had van het licht. Langzaam wenden haar ogen aan het bijna volledige duister en zag ze het weer. Een flauw rondje licht. Ze hield de lantaarn opnieuw voor zich, waardoor het grijzige kringetje licht weer verdween. Ze liep verder over de ruwe vloer, en ze moest af en toe met haar vrije hand steun zoeken tegen de wand om te voorkomen dat ze omviel. Tien stappen. Ze was weer begonnen met tellen. Daarna twintig. De grijze cirkel in de verte werd steeds duidelijker te zien. Ze verborg de lantaarn weer en het grijs werd op slag wat helderder, bijna wit zelfs. En de cirkel was twee keer zo groot als eerder het geval was. Ze had geen idee hoe ver het weg was. Ze ploeterde gewoon maar voort, stommelend en struikelend, en probeerde zo min mogelijk direct in het licht van de lantaarn te kijken. Zodra ze daar in keek duurde het weer enkele minuten voordat haar ogen opnieuw aan de duisternis waren gewend. Ze wist dat ze in de buurt moest zijn. De grijze cirkel werd bij elke stap wat groter, en de vorm veranderde ook geleidelijk van rond naar rechthoekig, alsof het geen gat maar een smalle kier was. De onderkant was breder dan de bovenzijde, die spits toeliep. Ze begreep dat ze het einde van de tunnel naderde en begon sneller te lopen. Door haar ongeduld viel ze wel een paar keer bijna. Ineens wilde ze alleen nog maar zo snel mogelijk deze nauwe, sombere ondergrondse ruimte verlaten. Ze had behoefte aan frisse lucht en zonlicht. De uitgang leidde niet meteen naar de buitenwereld. De tunnel maakte nog een haakse bocht – dit keer naar links – om een rotspartij. Ze wurmde zich erlangs en stuitte op een dikke haag begroeiing. De muur van takken en bladeren zorgde dat voorbijgangers de ingang van de tunnel niet konden zien. Ze trok haar sax en begon in het wilde weg op de begroeiing in te hakken, maar hield er bijna meteen weer mee op. Ze besefte dat het niet zo slim was om alles weg te hakken, want dan zou voortaan iedereen de ingang kunnen zien. Ze ging met wat meer beleid verder, zodat ze net genoeg van de struiken weghaalde om erdoor te kunnen. Ze worstelde zich een weg tussen de overgebleven takken door en stond even later weer buiten. Hijgend van de inspanning keek ze om zich heen om te zien waar ze eigenlijk was. Ze stond in een bosachtig stukje van het parklandschap dat het kasteel omringde. Het was groot genoeg voor mensen die beschut wilden picknicken of alleen wilden zijn, maar te klein om een eenheid vijandelijke krijgers te kunnen verbergen. Enkele meters bij de verborgen ingang vandaan stonden een houten tafel en een bankje. Verspreid door het park waren er minstens tien van zulke afgeschermde plekken. Ze trok haar voet los uit de takken waar ze net doorheen was gekropen en ging op het bankje zitten. Vanaf die plek was er van de ingang van de tunnel niets meer te zien. De rotspartij verhulde die bijna volledig, en voor zover dat niet het geval was hielden de struiken de doorgang wel uit het zicht. Ze stond weer op en liep tussen de bomen door het park in. Plotseling zag ze voor zich kasteel Araluen opdoemen. Ze was minstens honderdvijftig meter van de ophaalbrug naar de kasteelingang vandaan. Ze keek een paar keer heen en weer van het kasteel naar de uitgang van de tunnel en knikte bewonderend voor die oude tunnelgravers. Ze hadden een flinke afstand afgelegd. Ze draaide zich om en keek naar beneden, naar de daken van het dorp die boven de bomen uitstaken en naar de schittering van de zon in het water van het beekje dat door het dorp stroomde. Ze herinnerde zich dat Duncan haar had verteld dat zijn grootvader een vriendin in het dorp had en de tunnel gebruikte om stiekem bij haar op bezoek te kunnen gaan. ‘Nou, over-overgrootvader,’ zei ze glimlachend, ‘u was een behoorlijk stout mannetje, hè?’ Maar toen ze er langer over nadacht begreep ze dat de tunnel ook een nuttigere functie had dan de uitstapjes van haar over-overgrootvader. Hij kon ook worden gebruikt om uit het kasteel te ontsnappen als er gevaar dreigde. Of als extra ingang van het kasteel. Als dat laatste het geval was begreep ze heel goed dat het bestaan ervan een goed bewaard geheim was. Kasteel Araluen gold als een onneembaar bolwerk, maar de tunnel onder de slotgracht zou die reputatie weleens schade kunnen toebrengen. Dus hoe minder mensen van het bestaan op de hoogte waren, hoe beter. ‘Zo,’ zei ze uiteindelijk, ‘het wordt tijd om terug te gaan.’ Het idee dat ze deze aangename omgeving van grasvelden, zonlicht en frisse lucht weer moest inwisselen voor de donkere, muffe beslotenheid van de tunnel stuitte haar behoorlijk tegen de borst. Ze pakte haar lantaarn van de tafel en bedacht ineens dat ze vergeten was om hem uit te doen. Ze schudde er even aan en hoorde hoe hol het oliereservoir klonk. Ze had het vanochtend nog tot de rand gevuld, maar de lamp had vrijwel de hele ochtend gebrand. Het reservoir was nu nog maar een stuk minder dan halfvol en het idee dat de olie ergens in de tunnel opraakte en ze daar in het pikkedonker op de tast verder moest trok haar absoluut niet aan. Ze keek even omhoog naar de zon. Het was al middag. Dat betekende dat de wachters bij de ophaalbrug bijna wisselden, en dan zou niemand zich nog afvragen hoe ze het kasteel uit was gekomen zonder dat ze haar hadden zien vertrekken. Ze tilde de lamp wat hoger op en blies het kleine vlammetje uit. Daarna begon ze aan de oversteek van de groene vlakte naar de ingang van het kasteel. @BRK#Na een haastige lunch verkende ze die middag ook de andere twee tunnels. Beide bleven binnen het kasteel. De oostelijke was tamelijk kort en leidde naar een gang onder de binnenplaats door en naar een verborgen trap in het grote poortgebouw, waar zich de machinerie bevond om de ophaalbrug te bedienen. De trap kwam ergens halverwege de muur uit, vlak bij het enorme tandrad waarmee de brug open en dicht kon worden gedraaid, in een listig verborgen alkoofje achter de zware houten balken en de kettingen. Tenzij iemand naar boven klom – en waarom zou iemand dat ooit doen? – kon geen mens de trap van buiten ooit vinden. De derde tunnel was een stuk langer. Hij liep aanvankelijk naar het zuiden en hij leek rechtuit te gaan, maar zonder iets om het aan af te meten kon ze onmogelijk bepalen of hij naar links of rechts afboog. Er zat niets anders op dan hem helemaal tot het einde uit te lopen. Na honderden meters kwam ze uit in een ruimte van ongeveer drie bij drie meter. Tegen een zijmuur stond daar een vijftien treden hoge schuine houten trap. Ze hield haar lantaarn zo hoog mogelijk en zag dat er boven aan de eerste trap een tweede volgde. Het donker belemmerde haar te zien waar die weer naartoe ging. Ze voelde voorzichtig of de trap wel stevig genoeg was en klom daarna treetje voor treetje omhoog. De trap bleek het goed te houden, en dus ging ze verder naar boven. Boven aan de eerste trap was een overloopje en kon ze zich naar de volgende trap draaien. Ze voelde opnieuw of de treden wel stevig genoeg waren en toen dat zo bleek te zijn ging ze weer verder naar boven. Ze keek vanaf de tweede trap omhoog en zag nu een derde, recht boven de eerste. Zo kon ze steeds hoger tegen de muur op klimmen. Daarboven zag ze opnieuw duisternis. Uit de hoogte die ze inmiddels had geklommen maakte ze op dat ze in een van de buitenmuren van het kasteel zat, en als haar gevoel klopte moest dat dan de zuidelijke muur zijn. Na nog twee trappen zag ze ver boven zich een streepje daglicht. Ze klom door en kon even later door een heel nauwe gleuf, zo smal dat hij van buiten onmogelijk te zien kon zijn, naar buiten kijken. Wat ze zag bevestigde haar vermoeden dat ze zich in de zuidelijke toren van het kasteel bevond. Ze herkende het terrein beneden en zag aan haar rechterkant ook een klein stukje van de westelijke toren. Nu ze wist waar ze was kon ze zien dat deze geheime trappen aan de zuidwestelijke kant van de toren liepen, parallel aan de grote wenteltrap die in de zuidoostelijke hoek naar de vertrekken op de bovenverdiepingen voerde. Hoog in de toren was er meer licht, want er waren op regelmatige afstanden van elkaar steeds weer van die smalle openingen in de muur. Ze klom helemaal door naar boven en kwam bij een deurtje uit. Daarin zat een kijkgaatje, dat ze opmerkte doordat daar een dunne lichtstraal door het trappenhuis binnenviel. Ze keek door het gaatje en zag een grote kamer. Voor zover ze kon zien was daar niemand. Er stonden een tafel en twaalf stoelen, en aan de muur ertegenover zag ze een wapenrek, waar pieken en hellebaarden konden worden geplaatst. De klink van de deur was aan haar kant goed te zien. Ze vermoedde dat dat aan de andere kant niet het geval zou zijn. Ze legde haar hand op de klink en wilde de deur opendoen, maar ze aarzelde. Ze zag weliswaar niemand, maar ze kon niet de hele kamer overzien en er kon dus best iemand binnen zijn. Als dat zo was zou het nogal merkwaardig overkomen als ze vanuit het niets door een verborgen deur binnen kwam stappen. Ze haalde haar hand weer van de klink. Ze moest eerst wat meer over deze bovenkamer te weten komen, besloot ze. Ze was er nog nooit geweest. Ze besefte dat ze die hele zuidelijke toren van het kasteel niet zo goed kende. ‘Ik moet eerst eens wat nader onderzoek doen,’ mompelde ze. Met tegenzin ging ze alle geheime trappen weer af en keerde ze door de tunnel weer terug in de kelder van het kasteel. Het was al met al een interessante dag geweest, besloot ze.