HOOFDSTUK 16 @BRK#‘Hoeveel denk je?’ vroeg Gilan. Arnaut had de vijandelijke eenheid nauwkeurig bekeken. ‘Minstens honderd,’ zei hij. Hij klonk behoorlijk boos. ‘Iemand heeft tegen ons gelogen,’ voegde hij eraan toe. Er kwamen nog meer manschappen uit het bos tevoorschijn en ze stelden zich achter hun strijdmakkers op. ‘Ik denk eerder aan honderdvijftig,’ zei Gilan. ‘Drie keer zoveel als we er volgens de berichten konden verwachten.’ Hij zag intussen dat het vijandelijke leger inmiddels wel zo’n beetje compleet was. Ze hadden zich opgesteld in twee lange rijen, die zich helemaal langs de rand van het open veld uitstrekten. Gilan begreep dat de uiteinden van de beide rijen, als ze zouden oprukken, enigszins naar voren en naar binnen zouden komen, zodat de eenheid van Arnaut en Gilan langs de oever van de rivier ingesloten zou raken. Hij draaide zich om en gaf een opdracht. ‘Boogschutters, twee rijen. Hier!’ Hij wees naar een punt een paar meter voor de plek waar hij nu zelf stond. De boogschutters haastten zich om twee rijen van tien man te formeren. Hun materiaal rammelde bij elke stap aan hun riemen, maar zodra ze hun posities hadden ingenomen werd het weer stil. ‘Open opstelling. Gaan,’ zei Gilan zachtjes en de voorste rij zette twee grote stappen naar voren. Ze bewogen als één man. Boogschutters hadden het vaak niet zo op oefeningen op een exercitieplein, waar ze leerden zich als een stel hersenloze poppen op de maat van de sergeant te bewegen, maar dit was iets anders. Het ging nu om hun krijgstechniek, en daar hadden ze wel eindeloos op geoefend. Arnaut knikte instemmend terwijl hij toekeek hoe ze hun positie innamen, elk met zijn boog klaar in zijn linkerhand en de rechter aan de achterkant van een pijl in de koker aan hun riem. Hij draaide zich naar de leider van de cavaleristen. ‘Luitenant, formeer je manschappen aan weerszijden van de boogschutters.’ De luitenant deelde zijn orders uit en de cavalerie splitste zich in twee groepen op. De ene helft reed naar de linkerflank van de boogschutters, de andere helft naar de rechter. Samen formeerden ze één lange linie en wachtten ze af. ‘Schilden,’ riep de luitenant. Ze hadden hun schilden allemaal op hun rug gedragen en nu draaiden ze die naar hun zij en staken ze hun linkerarm door de riem aan de achterkant ervan. Iedere man had een lange lans en die hielden ze nu rechtop. De achterkant zetten ze in een klein leren lusje aan hun rechter stijgbeugel. De paarden, die voor dit soort confrontaties getraind waren, bewogen zich rusteloos. Ze briesten en snoven, want ze voelden wel aan dat er iets stond te gebeuren. ‘Zij zijn er klaar voor,’ zei Gilan ontspannen. Arnaut keek bedenkelijk. ‘Paarden kunnen niet tellen,’ zei hij. Hij had eerder al vastgesteld dat de tegenstander met meer dan drie keer zoveel man als zij was. ‘En wat doen we nu?’ vroeg Gilan. ‘We laten ze naar ons toe komen,’ antwoordde Arnaut. ‘Een aanval van ons heeft weinig zin. Dan stellen ze zich gewoon als een menselijke muur op en raken wij onnodig manschappen kwijt. Onze boogschutters kunnen ze wel een beetje aan het schrikken maken.’ Gilan knikte. Ze hoorden hoe er aan de andere kant van de open vlakte een reeks orders werd uitgedeeld. ‘Dat klinkt verdacht veel als Zonderlands,’ zei hij. ‘Hoe zit het toch met “dertig à veertig ongeorganiseerde opstandelingen”?’ ‘Ze hebben tenminste geen cavalerie,’ bekeek Arnaut het van de vrolijke kant. ‘Laten we daar maar blij om zijn.’ Alle mannen aan de overkant hadden een langwerpig houten schild, met gehard leer eroverheen gespannen en aan de hoeken afgerond. Sommigen waren uitgerust met speren, anderen met bijlen en de rest met lange zwaarden. De meesten droegen een metalen helm, en de rest moest het doen met een leren hoofddeksel dat versterkt was met metalen strips. ‘Het lijken me huurlingen, in elk geval het grootste deel ervan. Zeker de helft. En zij hebben de rest van wapens en hun uitrusting voorzien. Zoals ik al zei: iemand heeft ons voorgelogen.’ ‘Ja, dat we in de maling zijn genomen lijkt me wel duidelijk,’ stemde Gilan in. ‘En die zes waar we achteraan zaten wisten natuurlijk dat we ze volgden, en ze leidden ons netjes deze hinderlaag in.’ ‘Wat wil ik graag nog een hartig woordje spreken met die dorpeling die ons op hun spoor heeft gezet,’ zei Arnaut. ‘Als die man tenminste nog steeds in het dorp is. Het kan natuurlijk ook heel goed dat hij zich bij de Vossen heeft aangesloten. Ha, daar komen ze aan.’ Dat laatste voegde hij eraan toe toen hij een commando over de vlakte hoorde schallen en zag dat de vijandelijke linie in reactie daarop in beweging kwam. ‘Boogschutters!’ riep Gilan. ‘Vijf pijlen de man, in wisselende salvo’s. Klaar?’ Twintig pijlen werden tegelijk uit de met schapenvacht beklede kokers gepakt en in de bogen opgelegd. ‘Nog niet,’ waarschuwde Arnaut. Gilan glimlachte. ‘Ik weet het. Ik heb dit eerder gedaan, hoor.’ Arnaut maakte met zijn rechterhand een verontschuldigend gebaar. ‘Sorry,’ zei hij. De Jagercommandant liet de tegenstander nog een pas of tien dichterbij komen en gaf toen zijn orders. ‘Voorste rij, vuur!’ De voorste tien man tilden hun bogen op, richtten en schoten. Ze lieten zich meteen daarna op hun knieën zakken. Nog voordat ze hun doel bereikten had Gilan al een volgende opdracht gegeven. ‘Tweede rij, vuur!’ Opnieuw suisden er tien pijlen door de lucht. Terwijl ze op hun doelwit af schoten, weerklonk er een zacht zoemend geluid. ‘Voorste rij, vuur!’ Meteen nadat de achterste rij had geschoten waren de mannen vooraan weer overeind gekomen. Nu richtten ze even en schoten ze als één man een volgend salvo af. Op datzelfde moment troffen de eerste pijlen aan de andere kant van het veld doel. Sommige pijlen raakten schilden, maar er gingen minstens twee mannen neer. Drie anderen verloren door de klap op hun schild hun evenwicht en vielen om, waardoor de linie er al wat minder onneembaar uitzag. Vrijwel meteen daarna sloeg het tweede salvo in en vielen er meer gaten in de linie. ‘Tweede rij, hoog salvo, schieten!’ riep Gilan en de tweede rij mikte nu wat hoger, zodat hun pijlen in de achterste rij van de vijandelijke linie neerkwamen. Te laat zagen de mannen achter de voorste linie wat er gebeurde, waardoor ze geen tijd meer hadden om hun schild boven hun hoofd te brengen. Vier van hen gingen schreeuwend tegen de vlakte. ‘Kies een doelwit!’ riep Gilan. ‘Niet zomaar schieten! Eerste rij, vuur!’ Een volgend salvo sloeg in bij de vijand, en weer werden er mensen uitgeschakeld. ‘Tweede rij, vuur!’ De opmars van de vijand verliep eerst aarzelender en viel toen helemaal stil. Individuele krijgers zochten geschrokken naar veiligheid door gehurkt achter hun schild weg te kruipen. Ze hadden niet op deze doelgerichte, dodelijke tegenaanval gerekend. Ze stonden dan ook tegenover een eenheid voortreffelijke boogschutters. De mannen hadden hun opleiding van een gepensioneerde Jager gekregen, en op de Jagers zelf na waren ze waarschijnlijk de beste schutters van het hele koninkrijk. ‘Eerste rij, vuur!’ Meer pijlen schoten weg en raakten de vijand op hun schilden en helmen, en in niet voldoende beschermde armen en benen. Doordat de beide rijen om de beurt een salvo afvuurden lag de vijand onder een onafgebroken spervuur van pijlen, die onder de manschappen dood en verderf zaaiden. Het werd te veel. Een van de mannen in de voorste vijandelijke linie kwam uit zijn gehurkte positie overeind, duwde een paar mannen achter zich omver en sloeg op de vlucht terwijl hij met zijn schild zijn rug en zijn achterwerk probeerde te beschermen. Een tweede man volgde hem, en gauw daarna gingen er nog drie achteraan. Binnen enkele minuten sloeg de hele strijdmacht op de vlucht, naar de veilige beschutting van het bos. Hun woedende commandant kon weinig anders dan erachteraan gaan. ‘Stop met schieten!’ riep Gilan, en prompt vielen de dodelijke salvo’s stil. Het was voor de vijand te laat om zich nog te hergroeperen. Ze holden zo snel als ze konden terug naar het bos, langs hun leiders die op de achtergrond waren gebleven en nu tevergeefs probeerden de wegrennende mannen met hun zwaarden tegen te houden. ‘Nestor!’ riep Gilan naar de commandant van de boogschutters, van wie hij wist dat hij een heel goede schutter was. ‘Probeer eens of je die vent op dat zwarte paard kunt raken.’ Een van de ruiters bij de bosrand was duidelijk de leider van de hele groep. Hij vloekte en tierde tegen zijn mannen, die zich er weinig van aantrokken en vooral een veilig heenkomen zochten. De boogschutter die Gilan bij zich had geroepen glimlachte en legde een pijl op zijn boog. Hij kneep zijn oogleden samen, probeerde de afstand naar zijn doelwit te bepalen, tilde zijn boog tot iets verder dan horizontaal op, leunde iets achterover en vuurde zijn pijl af. Ze konden de vlucht van de pijl aanvankelijk goed volgen, tot hij tegen de heldere lucht onzichtbaar werd. Dankzij zijn jarenlange ervaring kon Gilan met de pijl meetellen. ‘Drie… twee… een…’ Plotseling klonk er uit de mond van de man op het zwarte paard een ijzingwekkende gil. De pijl raakte hem in zijn linkerschouder en de man maakte een halve draai in zijn zadel. De verrassing was compleet en door de klap verloor hij zijn evenwicht. Even leek hij zich nog te kunnen redden, maar toen viel hij met een flinke smak van zijn paard af. Twee adjudanten haastten zich naar hem toe en sleepten hem naar de veiligheid van het bos. ‘Mooi geschoten, Nestor,’ riep Arnaut. De overige cavaleristen en de boogschutters applaudisseerden voor hem. ‘Jij krijgt vanavond een extra portie vlees,’ beloofde Arnaut hem. Hij keek even naar de vijand, die er overdonderd en gedemoraliseerd bij stond. Van hun organisatie was niets meer over. ‘Dat zullen ze niet gauw nog een keer proberen.’ Hij stuurde zijn paard naar voren en richtte zich tot de boogschutters. ‘Wie van jullie kan er paardrijden?’ vroeg hij, en op vijf na staken ze allemaal hun hand op. ‘En zonder zadel?’ Dezelfde handen bleven omhoog. ‘Wij kunnen zulke zadels niet betalen,’ zei een van de mannen grijnzend en ze schoten allemaal in de lach. Zo kort nadat ze de vijand hadden verjaagd kon elke luchtige opmerking op een waarderende reactie rekenen. ‘Waar zit je aan te denken?’ vroeg Gilan. Arnaut gebaarde naar de reservepaarden van zijn manschappen, die iets verderop aan twee bomen vastgebonden waren. ‘We hebben twintig extra paarden,’ zei hij. ‘Als we allemaal te paard gaan, zijn we vast eerder bij die doorwaadbare plaats dan dit zooitje ongeregeld.’ Bij die laatste woorden gebaarde hij vol minachting naar de vijand. ‘En wat doen we met de vijf die niet kunnen paardrijden?’ vroeg Gilan. Arnaut wees op de kleine kar waarop ze hun provisie, hun kampmateriaal en hun reserveonderdelen vervoerden. ‘Zij kunnen op die kar gaan zitten. Dat gaat altijd nog sneller dan lopen. Maar we moeten wel meteen gaan, voordat de vijand de kans krijgt zich te hergroeperen.’ Ze verdeelden de reservepaarden razendsnel onder de boogschutters die gezegd hadden dat ze konden rijden. De laatste vijf klauterden op de kar. ‘Jouw manschappen zijn allemaal prima ruiters,’ zei Gilan. ‘Kunnen ze de gezadelde paarden niet beter aan de boogschutters geven?’ Maar dat vond Arnaut geen goed plan. ‘Als mijn mannen moeten vechten, hebben ze hun zadels en hun stijgbeugels nodig,’ legde hij uit en Gilan knikte. Een man op een paard had de steun van zijn stijgbeugels en zijn zadel nodig om zijn lans en zijn zwaard goed te kunnen gebruiken. ‘Ja, dat is logisch,’ zei hij. ‘Twee van jouw mannen moeten de reservepaarden maar in veiligheid brengen als de Vossen nog een keer aanvallen. Mijn boogschutters moeten dan snel van de paarden af, en het is niet de bedoeling dat die dieren dan in de weg lopen.’ Arnaut was het daarmee eens en gaf de opdracht door aan zijn luitenant. Enkele minuten later was iedereen klaar voor vertrek en gebaarde hij naar Ellis dat hij hen naar de doorwaadbare plaats moest leiden. Het gezelschap kwam in beweging, geleidelijk steeds sneller, tot de dravende hoeven dof in het gras bonkten. Arnaut keek nog eens achterom naar de Vossen. Ze hadden het nog druk met de verzorging van de gewonden, en waren bovendien niet erg geneigd om tussen de bomen vandaan te komen. Op de vlakte tussen de bomen en de rivier lagen de stoffelijke overschotten van elf van hun kameraden.