HOOFDSTUK 15 @BRK#Maddie overwoog heel even om haar deken van zich af te schoppen en onmiddellijk naar de kelder te gaan. Dat idee verwierp ze echter vrijwel meteen. Het was koud, en diep onder de grond zou het nog veel kouder zijn. Verder was het er nu donker en zou ze dus niks kunnen zien. En als ze nu naar beneden ging, zou ze de nachtwaker maar storen en voor onrust zorgen. Dan zouden ze haar allerlei vragen stellen die ze vooralsnog liever niet beantwoordde. En dus trok ze de deken nog maar wat verder over zich heen. ‘Het kan morgen ook nog wel,’ zei ze zachtjes. Ze gaapte en viel weer in slaap. De volgende ochtend schrokte ze haastig haar ontbijt naar binnen. Behalve een enkele gardist die er net een nachtdienst op had zitten of die juist vroege dienst had, was de eetzaal nog verlaten. Ze was blij dat ze niemand tegenkwam met wie ze hoefde te praten. Haar hoofd liep over van de mogelijkheden die zich in de onderste kelder konden voordoen, en daardoor was ze op het ogenblik vast geen fijne gesprekspartner. Haar moeder stond ook altijd vroeg op, wist ze, maar zij had haar ontbijt vast naar haar kamer of haar werkvertrek laten brengen. Maddie wist niet precies waarom ze zo weinig zin had om het mogelijke bestaan van een geheime tunnel of een verborgen trap met anderen te bespreken. Misschien vond ze dat het bestaan van dat soort tunnels en trappen niet voor niets geheim was gehouden. Zelfs Uldred had de indruk gewekt dat hij niet echt in het bestaan van geheime doorgangen geloofde, en dat hij het vooral een mooie mythe vond. Ook haar opleiding tot Jager zorgde ervoor dat ze er liever niet met anderen over sprak. Jagers konden als geen ander geheimen bewaren en spraken zo min mogelijk over hun werk. Ze beschikten graag over kennis die anderen niet hadden, ze hielden ervan net iets meer dan de rest te weten. Je wist immers nooit wanneer je met dat beetje extra kennis je voordeel kon doen. Van het leven in haar hut bij Redmont had ze de gewoonte overgehouden om haar vaat in de keuken te zetten en af te spoelen, en dus deed ze dat hier nu ook. Het keukenmeisje zette grote ogen op, want ze was er niet aan gewend dat leden van het koninklijk huis zelf hun rommel opruimden. ‘Dank u wel, vrouwe,’ zei ze. Maar Maddie hoorde haar nauwelijks, want ze was te zeer verdiept in wat ze zo ging doen. In een van de keukenkasten vond ze een lantaarn. Ze verzekerde zich ervan dat er voldoende olie in zat en ging naar beneden. Ze voelde nog even, maar haar sax zat netjes in zijn schede en haar slinger hing opgerold aan haar riem. Op haar linkerheup bungelde een buidel met munitie voor haar slinger. Ze dacht niet dat ze de wapens nodig zou hebben, maar je wist het maar nooit. Opnieuw was de bovenste van de twee kelderverdiepingen verlaten. Dit keer vond ze dat alleen maar fijn. De fakkels en lantaarns waren allemaal aangestoken en het huishoudelijk personeel was inmiddels alweer met andere dingen bezig. En ook op de onderste verdieping was geen mens te zien. Ze liep naar een van de fakkels die in een houder aan de muur geplaatst waren. Bij haar vorige bezoek had ze gezien dat hier altijd een voorraadje waspitten lag. Die werden vast gebruikt om de grote lampen mee aan te steken, begreep ze. Ze tilde het glas van haar lantaarn op, draaide de lont wat verder omhoog, stak met de fakkel een van de waspitten aan en bracht het vlammetje naar haar eigen lantaarn over. Doordat die lont doordrenkt was met olie, vatte hij onmiddellijk vlam. Boven de helder oranje vlam kringelde wat zwarte rook omhoog. Ze draaide de lont een stukje naar beneden, waardoor die wat schoner ging branden en de zwarte rook verdween. Daarna sloeg ze het glas aan de voorkant van de lantaarn weer dicht. Het licht weerspiegelde in het blinkend gepoetste metalen schijfje achter de lont, waardoor er een zee van licht om de lantaarn heen werd verspreid. Ze pakte de lantaarn op en liep naar de muur waarvoor ze was gekomen. Eenmaal daar hurkte ze om de tekst nog een keer goed te lezen. Sinister. Sinister. Sinister. ‘Links, links, links,’ mompelde ze in zichzelf. ‘Of drie naar links. Of drie keer links.’ Ze probeerde allerlei varianten, om te zien of dat de oplossing dichterbij bracht. ‘Drie naar links,’ besloot ze na enig nadenken. Ze legde haar hand op de steen met de tekst erop en telde daarvandaan drie stenen naar links. Ze raakte ze allemaal even met haar wijsvinger aan. Aan de steen waar ze bij uitkwam was niets bijzonders te zien. Hij was in alle opzichten identiek aan de stenen links, rechts, onder en boven ervan. Ze zette haar vlakke hand op het ruwe midden van de steen en duwde er even tegen. Niets. Ze probeerde ook of de zijkant van de steen meegaf, maar waar ze ook duwde, er kwam geen enkele beweging in. Ze probeerde het eerst aan de linkerkant, in lijn met de instructies, maar er gebeurde niks. Toen aan de rechterkant. Weer niks. Ze duwde tegen de onderkant en de bovenkant, maar zonder enig resultaat. Daarna wrikte ze haar vingers in het ondiepe spleetje tussen deze steen en de volgende om te zien of ze er misschien aan moest trekken. Maar nergens bewoog iets. Ze ging een stukje achteruit en ging op haar hurken zitten. Ze dacht na. Zoals wel vaker in dit soort omstandigheden deed ze dat hardop. ‘Links, links, links,’ zei ze zachtjes. ‘Wat zou het anders kunnen betekenen?’ Ze begreep wel dat het naar elke derde steen links vanaf de hoek kon verwijzen, en ze liet haar blik dan ook langs de muur naar boven glijden, op zoek naar iets van een opening in het metselwerk. Maar er was niets te zien. Ze zou de andere stenen in die rij straks nog wel even voelen, maar eerst moest ze een andere mogelijke uitleg onderzoeken. ‘Misschien betekent het drie naar links vanaf de eerste steen en niet vanaf de hoek,’ zei ze. Dan moest ze dus bij de vierde steen in de rij zijn. Ze verlegde haar aandacht naar de eerstvolgende steen links. Ze hield haar lantaarn bij het metselwerk eromheen, en daarna bij de steen zelf. Ze duwde weer op het midden van de steen, maar weer gebeurde er niets. ‘Zo vast als een huis,’ mompelde ze. Ze verrichtte haar handelingen inmiddels zonder er nog erg bij na te denken. Ze raakte er steeds vaster van overtuigd dat ze die drie in de muur gekraste woorden verkeerd had begrepen. Ze duwde dan ook redelijk gedachteloos tegen de linkerkant van de steen. Er weerklonk een luide KLIK vanuit het binnenste van de muur en een deel van de muur – drie stenen breed, met de steen waartegen ze had geduwd in het midden – kwam soepel een halve meter naar voren. Ze stak haar vingers door de brede opening aan de linkerkant en trok. De anderhalve meter hoge en een meter brede deur gaf probleemloos mee, draaide op een centrale as een stuk open en bood haar zicht op de donkere holte erachter. Ze kwam een stukje omhoog en hield haar lantaarn zo dat het licht ervan in de duisternis viel. Ze keek voorzichtig om het stuk muur heen dat naar voren was gekomen. Erachter zag ze meer stenen muren, die een ruimte van ongeveer drie bij drie meter omsloten. Ze wurmde zich behendig door de kleine opening tussen de muur en de deur door, en ze hield intussen haar lantaarn zo hoog mogelijk voor zich uit, waardoor ze wat beter om zich heen kon kijken. De muren waren van ruwe steen, en in tegenstelling tot het gesteente aan de andere kant niet gepolijst of op een andere manier afgewerkt. Het plafond bestond ook uit onbewerkt gesteente en het zat zo laag dat ze er maar net rechtop kon staan. Verder wemelde het in de kleine ruimte van de spinnenwebben. De vloer was van aarde. Toen ze wat beter keek, zag ze dat het droge aarde was en na een paar passen erop merkte ze dat het erg hobbelig was. De muur achter haar, waar ze net door naar binnen was gekomen, lag op het noorden. In elk van de andere drie muren zag ze de donkere contouren van een ingang – of een uitgang. Een naar het oosten. Eén naar het westen. Eén naar het zuiden. Ze liep naar de westelijke doorgang en hield haar lamp recht voor zich uit. Ze keek in een smalle tunnel van hooguit een meter breed, die in een rechte lijn langzaam naar beneden liep. Ze dacht even na hoe ze die gang precies moest plaatsen en besefte toen dat de slotgracht aan die kant liep. De slotgracht en de buitenmuren. Ze voelde de opwinding door haar lichaam gieren, haar ademhaling werd sneller en haar hartslag ging omhoog. Duncan had haar verteld dat zijn grootvader een tunnel had gebruikt om ongezien het kasteel in en uit te kunnen. Zou dit die tunnel zijn? Ze hief de lantaarn weer wat hoger en zette een stap in de tunnel. Ergens in het donker hoorde ze het gescharrel van kleine pootjes. Ratten, begreep ze. Ze werd niet warm of koud van die beesten. Ze had een sax en een lantaarn, en ratten bleven vast het liefst uit de buurt van het licht. Ze zette nog een pas, maar aarzelde toen, want ze besefte dat ze de geheime deur wijd open had laten staan. Als er nu iemand de kelder in kwam, zou die de deur open zien staan en was er geen geheim meer. Ze haastte zich terug en duwde tegen de binnenkant van de deur, die met dezelfde KLIK als de vorige keer dichtviel. ‘Ai, dat had ik misschien beter niet kunnen doen,’ zei ze geschrokken. Ze liet zich op haar knieën zakken en voelde aan de onderrand tot ze de vierde steen van links had gevonden. Om de deur open te maken had ze tegen de linkerkant geduwd, dus moest ze nu de rechterkant hebben. Ze zette haar hand tegen de rechterkant en duwde. KLIK! De deur zwaaide open en ze slaakte een zucht van verlichting. Het was geen prettig idee geweest dat ze in de onderaardse gangen gevangen zou zitten. Nu wist ze dat ze er in elk geval weer uit kon langs dezelfde weg als ze naar binnen was gekomen, en het onheilspellende gevoel dat ze in haar maag had gevoeld was op slag verdwenen. ‘Stelt toch niks voor?’ zei ze met een vleugje zelfspot. ‘Laten we nu maar eens gaan kijken waar deze tunnel naartoe leidt,’ zei ze even later, nadat ze de deur weer dicht had gedaan. Ze hield haar lantaarn zo hoog mogelijk en stapte voorzichtig de donkere tunnel in. Haar voeten gleden op de hobbelige ondergrond verschillende keren bijna weg. Ze liep met haar gezicht dwars door een dik spinnenweb, dat ze ongeduldig van zich af schudde. Wat verder de tunnel in voelde ze hoe die steeds steiler naar beneden begon te gaan. Ze hoorde opnieuw gescharrel en gekras van pootjes op de stenen, maar ze zag niets. ‘Ze zijn banger voor jou dan jij voor hen,’ zei ze. Om zichzelf meteen daarna een vraag te stellen: ‘Bén je echt bang voor ze?’ Dit keer gaf ze zichzelf geen antwoord. Ze loog liever niet tegen zichzelf. Ze liep door – steeds voorzichtiger, want ze voelde dat de bodem zachter werd. De aarde was hier vochtig en er druppelde door de muren en het plafond van de tunnel water naar binnen. Ze schampte met haar schouder langs de muur – het was hier echt heel krap – waardoor ze een veeg natte klei op haar hemd kreeg. De lucht was kil en rook muf. Er druppelde meer water uit het plafond dan een paar meter terug. Maddie trok haar kraag op om zich er beter tegen te beschermen. ‘Ik ben hier vast onder de slotgracht,’ zei ze, met enige verbazing in haar stem. Ze probeerde zich voor de geest te halen hoe breed de slotgracht was. Iets van een meter of acht à tien, stond haar bij. Ze schuifelde weer een stukje door, en ze telde haar stappen de hele tijd zorgvuldig. De bodem van de tunnel werd vlak. Ze ging niet meer verder naar beneden. Weer een tijdje later voerde de tunnel weer langzaam omhoog en werd het gedruppel minder. Er hing iets aan het plafond en ze tilde haar lantaarn op om het beter te kunnen bekijken. Het was een klomp wortels, die ze herkende als de kluit van een flinke struik. ‘Ik ben het kasteel uit,’ zei ze. Ze keek voor zich uit door de tunnel, waar het duister het vage schijnsel van haar lantaarn opslokte, en ze vroeg zich af hoe ver ze nog te gaan had. ‘Daar kan ik maar op één manier achter komen,’ zei ze. En ze liep weer verder.