HOOFDSTUK 14 @BRK#Het was tegen twaalf uur ’s middags toen de kleine eenheid tussen de bomen vandaan de groene vlakte op reed. Voorbij het zachtjes in de wind wuivende hoge gras zag Arnaut de schittering van water, dat zich in noordelijke richting honderden meters uitstrekte. ‘Dat is de Wezel,’ zei hij. Gilan knikte. ‘Ik weet het. En daar heb je onze twee verkenners.’ Hij wees op twee mannen die op hun paarden langs de oever stonden te wachten. Arnaut draaide zich in zijn zadel om en gebaarde dat de leider van de eenheid bij hem moest komen. De luitenant zette zijn paard even aan en kwam in galop naar Arnaut en Gilan toe. De eenheid moest normaal gesproken een flink stuk achter de twee leiders aan rijden, zodat de beide mannen in vrijheid met elkaar konden praten. De luitenant kwam naast hen rijden en salueerde. ‘Hier wachten,’ zei Arnaut, en daarna wees hij op de twee verkenners die enkele honderden meters verderop stonden. ‘Wij gaan naar de verkenners toe om te horen of de kust veilig is, en als dat zo is roep ik jullie bij ons.’ ‘Was u van plan om hier een pauze in te lassen, heer?’ vroeg de luitenant. Arnaut keek met samengeknepen oogleden naar de zon, die bijna recht boven ze stond. ‘Laten we de paarden maar even wat rust geven. En de boogschutters ook,’ voegde hij er grijnzend aan toe. De boogschutters hadden natuurlijk geen paarden en kwamen te voet achter de cavalerie aan. ‘Eerst maar eens horen wat de verkenners te melden hebben.’ ‘Jawel, heer.’ De luitenant tikte met zijn hand even tegen de rand van zijn ijzeren helm, draaide zich om en gaf zijn manschappen opdracht: ‘Op de paarden blijven, maar in rust,’ riep hij. De krijgers zochten wat ontspanning voor hun vermoeide benen door in hun stijgbeugels te gaan staan en hun spieren te strekken. De begeleidende boogschutters gingen gewoon in het gras naast het pad liggen, terwijl ze een zucht van verlichting slaakten. Arnaut en Gilan zetten hun paarden aan tot een draf en reden naar de twee verkenners toe. ‘Zo te zien is alles wel in orde,’ stelde Gilan vast. Als de verkenners hen voor gevaar hadden willen waarschuwen, hadden ze inmiddels wel een teken gegeven. Ze zaten er echter ontspannen bij en wachtten in alle rust tot de twee leiders langszij waren gekomen. Arnaut voerde het commando van de veldtocht, dus Gilan liet het stellen van vragen aan hem over. ‘Waar zitten de Vossen?’ informeerde Arnaut als eerste. Die ochtend hadden ze uit een van de dorpen waar ze doorheen waren gekomen een tip gekregen dat er een klein groepje van de Clan van de Rode Vos in de buurt was. Ze waren met z’n zessen en ze haastten zich door het beboste landschap, onafgebroken in noordelijke richting. ‘Die gaan ergens naartoe,’ had Gilan vastgesteld. Arnaut had iets vaags gebromd. Ja, die Vossen waren op weg, dat kon iedereen zien. Maar meteen daarna begreep hij dat Gilan had willen zeggen dat ze een heel precieze bestemming in gedachte hadden. De paden door het bos slingerden af en toe alle kanten op, maar de groep had steeds weer de route recht naar het noorden aangehouden. De brede, diepe Wezel maakte een verdere voortgang in die richting nu onmogelijk. De Vossen moesten ergens in de buurt naar het oosten of westen zijn afgeslagen, en de twee verkenners konden Arnaut en Gilan ongetwijfeld vertellen welke kant het geworden was. De oudste van de twee verkenners, die op zijn wambuis het insigne van een korporaal droeg, salueerde kordaat. Arnaut knikte en tikte zelf ook heel even met zijn wijsvinger tegen de zijkant van zijn voorhoofd. Aan al die militaire plichtplegingen had hij nogal een broertje dood, stelde Gilan niet voor het eerst vast. Hij glimlachte. ‘Heer,’ zei de korporaal monter, ‘we zijn ze gevolgd tot hier, tot aan de oever van de rivier. Hiervandaan gingen ze naar het oosten, langs de oever.’ Hij gebaarde met zijn arm naar welke kant ze waren verdwenen. ‘Wisten ze dat ze door jullie werden gevolgd?’ vroeg Arnaut. De korporaal aarzelde. ‘Dat is moeilijk te zeggen, heer,’ antwoordde hij. ‘Ik kreeg niet de indruk dat ze het doorhadden. We bewaarden flink wat afstand. Maar in het bos konden we ons beter schuilhouden dan op het laatste stuk, door het open veld. Daar kunnen ze ons wel gezien hebben.’ Arnaut liet de woorden van de korporaal even bezinken. Ze konden natuurlijk ook niet met zekerheid zeggen of ze iets doorhadden, behalve wanneer de zes Vossen er in volle galop vandoor waren gegaan. ‘Hmm,’ bromde hij. ‘En hoelang geleden waren ze hier?’ De twee verkenners keken elkaar even aan voordat de korporaal antwoord gaf. ‘Een halfuur, heer. Of toch in elk geval meer dan twintig minuten.’ Hij keek weer even naar zijn metgezel. ‘Dacht je ook niet, Ned?’ De tweede man knikte. ‘Ja heer, minstens twintig minuten.’ Arnaut keek naar het oosten, in de richting waar het groepje van zes naartoe was gegaan, en nam een besluit. ‘Uitstekend, ga maar gauw weer achter ze aan,’ zei hij. ‘Maar bewaar voldoende afstand.’ Hij wees naar de boomgrens, die enkele honderden meters bij de rivier vandaan liep. ‘Je kunt ze het beste vanuit het bos volgen.’ ‘Jawel, heer,’ antwoordde de korporaal. Arnaut legde het verdere plan uit. ‘Wij pauzeren hier een minuut of tien en komen dan weer achter jullie aan. Als er iets gebeurt dat ik moet weten, zoals dat ze weer van richting veranderen, dan kan een van jullie ons dat komen melden terwijl de ander de achtervolging voortzet.’ ‘Jawel, heer!’ zeiden de twee verkenners in koor. Arnaut gebaarde dat ze konden gaan. ‘Mooi, aan de slag. Maar wees voorzichtig. De kans is groot dat ze onderweg naar een bijeenkomst met andere Vossen zijn en we willen ze niet afschrikken.’ De twee gaven hun paarden de sporen en terwijl ze uit het zicht verdwenen stierf het geluid van de hoeven in het lange gras langzaam weg. Arnaut draaide zich om in zijn zadel, floot en gebaarde naar de rest van hun eenheid dat ze bij Gilan en hem konden komen. Gilan pakte de veldfles die aan zijn zadel hing en goot een flink deel van de inhoud in zijn mond. ‘Laten we de benen maar een beetje strekken,’ zei Arnaut. En zodra de eenheid zich bij hen voegde richtte hij zich tot de luitenant. ‘Tien minuten, Burton,’ zei hij. ‘Laat ze maar even afstappen en de zadels losmaken. En kijk goed of er kreupele of gewonde paarden tussen zitten.’ De luitenant knikte, draaide zich om en gaf orders. De cavaleristen kwamen van hun paarden af en onderzochten hun dieren. Een goede cavalerist keek altijd eerst wat zijn paard nodig had voordat hij in zijn eigen behoeften voorzag. Elke man had een reservepaard bij zich, dus die moesten ze ook bekijken – ook al was de kans klein dat dat zonder zadel of ruiter tegenslag had opgelopen. Net als even eerder ploften de boogschutters gewoon in het gras neer. Zo hadden ze er ook een keer voordeel van dat ze dat hele stuk te voet moesten afleggen. Arnaut bezag het tafereel grijnzend. ‘Wat een ongeorganiseerd zooitje is het toch.’ Gilan volgde zijn blik en reageerde serieus. ‘Dat zou kunnen, maar in het gevecht kunnen we van ze op aan.’ ‘Laten we het hopen,’ antwoordde de lange ridder. ‘Ik denk dat we ze tamelijk snel nodig zullen hebben.’ @BRK#Toen hun tien minuten voorbij waren – de sergeant van de eenheid hield de tijd met een kleine zandloper bij – trokken de mannen de zadelriemen aan en klommen ze weer op hun paarden. De boogschutters kwamen mopperend overeind en namen hun posities in de formatie weer in. Arnaut stak zijn rechterhand op tot naast zijn schouder en liet die daarna zakken in de richting waar hij naartoe wilde. ‘In beweging, luitenant,’ zei hij, en even later was de eenheid weer op pad. Zo gingen ze weer een uur verder, met de paarden stapvoets zodat de boogschutters de rest konden bijhouden. Die boogschutters klaagden niet. Ze waren gewend om te voet grote afstanden te overbruggen. Ze hadden allemaal heel sterke been- en voetspieren ontwikkeld en door al die training konden ze nog een heel behoorlijk tempo aanhouden ook. Hun tocht voerde langs de oever van de rivier. Zoals Arnaut en Gilan in kasteel Araluen al hadden voorzien vormde de Wezel een heel effectieve grens, die de Vossen een verdere doorgang naar het noorden belemmerde. Gilan stak een hand op en de eenheid kwam tot stilstand. ‘Wat is er?’ vroeg Arnaut. Maar zodra Gilan naar voren wees zag Arnaut ook waarom hij de eenheid tot stilstand had gemaand. Ongeveer driehonderd meter verderop stonden de twee verkenners, vlak langs de rivier, op hen te wachten. ‘Jij hebt goede ogen,’ zei Arnaut tegen de Jagercommandant. ‘Er is iets gebeurd. Anders was een van hen wel naar ons toe gereden,’ zei Gilan. Ze zetten hun paarden aan tot een draf en voegden zich bij de twee verkenners. ‘We zijn ze kwijt, heer,’ zei de korporaal verontschuldigend. Arnaut keek hem geërgerd aan. ‘Kwijt? Hoe dat zo? Ik had toch gezegd dat jullie uit het zicht moesten blijven?’ ‘En dat hebben we ook gedaan, heer. Ik denk dat ze de hele tijd al wisten dat ze gevolgd werden, maar daar niets van hebben laten merken. Er lag hier een boot op ze te wachten.’ Hij wees op een zandbankje op de oever van de rivier. ‘Ze konden zo aan boord stappen en werden achter elkaar naar de overkant geroeid. We konden er niets tegen beginnen, heer. We hielden afstand en ze waren al midden op de rivier tegen de tijd dat wij deze plek bereikten.’ Arnaut zuchtte diep, maar hij herpakte zich bijna meteen. ‘Niks aan te doen, korporaal. Het is niet jullie schuld. Je hebt waarschijnlijk gelijk, dat ze ons de hele tijd al door hadden.’ Hij draaide zich naar de anderen om. ‘Luitenant!’ riep hij, en hij gebaarde dat de man bij hem moest komen. Terwijl de man deed wat hem werd gevraagd gebaarde Arnaut naar de cavaleristen. ‘Zit er tussen jouw mannen iemand die in deze buurt is opgegroeid?’ vroeg hij. ‘Ik wil graag weten of er ergens een doorwaadbare plaats is.’ De luitenant keek hem vertwijfeld aan. ‘Ik zou het niet weten, heer. De meeste van mijn mannen komen uit het zuiden. Maar ik zal het ze vragen.’ ‘Dat is niet nodig,’ zei Gilan. ‘Een van de boogschutters komt uit deze omgeving. Hij was stroper voordat hij zich bij onze eenheid aansloot. Hij zal deze streek wel goed kennen.’ En met stemverheffing: ‘Boogschutter Ellis! Kun je even komen?’ Ellis, een gedrongen man van in de dertig, kwam uit het gras overeind. Net als zijn collega’s had ook hij de gelegenheid aangegrepen om even wat rust te pakken. Hij haastte zich naar Gilan toe. Gilan stelde tevreden vast dat de man zijn boog bij zich had. Een boogschutter die zijn boog tijdens een veldtocht in het gras liet liggen was geen knip voor de neus waard. Ellis salueerde door met de knokkels van zijn rechterhand tegen zijn voorhoofd te tikken. ‘Jawel, Jager!’ zei hij resoluut. Gilan stond onder de boogschutters in hoog aanzien. Ze wisten allemaal dat de Grijze Jagers nog veel beter met pijl-en-boog overweg konden dan zijzelf, en daarmee dwongen ze onder andere schutters veel respect af. ‘Jij komt uit deze omgeving, hè? En ik heb me laten vertellen dat jij hier ook een tijdlang als stroper in de weer bent geweest,’ zei Gilan. Ellis keek de Jager op slag als een onschuldig lammetje aan. ‘Stroper, heer? Ik? Welnee, ik heb de dieren van ons koninkrijk nooit met een vinger aangeraakt. Wat worden er toch verschrikkelijke leugens over onschuldige burgers verteld.’ Gilan zweeg, maar bleef de man met een ongelovige blik aankijken. Ellis schuifelde een beetje ongemakkelijk met zijn voeten, en na een tijdje hield hij zijn toneelspel niet meer vol. ‘Nou ja, misschien een heel enkele keer dan. Goed, ik heb hier af en toe weleens een konijn of een haas gevangen. Maar dat was per ongeluk hoor, altijd per ongeluk. En als je zo’n beestje dan raakt, heeft het weinig zin het hier te laten liggen, hè.’ ‘Kom op, Ellis, zo kan-ie wel weer. En al had je hier honderd herten neergeschoten, mij maakt dat verder niks uit. Het gaat mij er alleen om hoe goed je dit gebied kent.’ Ellis keek om zich heen, en even speelde hij dat hij de rivier, de groene vlakte en het bos voor het eerst zag. ‘Deze streek, heer? Ja, die ken ik als mijn broekzak.’ Hij haalde opgelucht adem dat de kwestie van zijn illegale activiteiten van vroeger niet langer de aandacht van de Jager had. ‘En weet je ook of er in de buurt doorwaadbare plaatsen in de rivier zijn?’ vroeg Gilan. Ellis dacht even over zijn antwoord na. ‘Niet echt in de buurt, heer. Ik weet er wel een, maar die is nog wel twee kilometer hiervandaan. En echt makkelijk is de oversteek daar niet.’ ‘Wat is daar dan het probleem?’ bemoeide Arnaut zich er ook mee. Ellis richtte zich nu tot de lange ridder. ‘De rivier stroomt daar nogal snel, en hij is daar ook behoorlijk diep. Het water komt er zeker tot borsthoogte.’ Hij wees met zijn hand op een punt vlak onder de kraag van zijn kiel. ‘Als je daar niet voorzichtig bent, word je zo door het water meegesleept,’ voegde hij eraan toe. ‘Wordt de oversteek wel makkelijker als je je aan een paard kunt vastklampen?’ wilde Arnaut weten. Ellis dacht weer even over zijn antwoord na. ‘Ja,’ zei hij toen, ‘dan is het een peulenschil, lijkt me.’ Als het paard stroomopwaarts van de krijger liep zou het de kracht van de stroming enigszins breken én de man ernaast meer houvast bieden. ‘Mooi,’ zei Arnaut. Hij bedankte Ellis. ‘Ik stel voor dat jij ons naar die doorwaadbare plaats voorgaat. We moeten de rivier over en het spoor van die Vossen weer oppikken.’ Hij keek naar Gilan. ‘Ik neem aan dat je ze wel weer kunt vinden?’ ‘Dat zal vast geen probleem zijn,’ antwoordde Gilan. Achter hen kuchte de luitenant nadrukkelijk. ‘Heer Arnaut?’ Ze draaiden zich beiden naar hem om. De luitenant wees naar het bos, op enkele honderden meters afstand. Tussen de bomen vandaan verschenen gewapende mannen, die twee rijen formeerden. Een heleboel gewapende mannen. ‘Volgens mij hebben we een probleem,’ zei Arnaut.