HOOFDSTUK 6 @BRK#De man met de pijl-en-boog begon ongeduldig te worden. De meisjes stonden daar nu al enkele minuten, maar ze maakten geen aanstalten om te bewegen. Hij had gezien dat Ingrid achterom had gekeken, dus ze wisten ook dat een vlucht achteruit kansloos was. ‘Schiet eens op!’ gebood hij. ‘We staan hier onze tijd te verdoen. Kom onmiddellijk naar me toe en geef me al jullie waardevolle spullen.’ Om zijn woorden kracht bij te zetten trok hij de pijl in zijn boog een stukje naar achteren. De boog en het touw erin kraakten ervan. Maddie bekeek de boog nauwkeurig. In vergelijking met de prachtige, handgemaakte bogen waar de Jagers gebruik van maakten was dit een armoedig geval. Hij was uit een onregelmatig stuk hout gesneden en het ene uiteinde was dikker dan het andere. Daardoor gaf de bovenkant van de boog onder spanning meer mee dan de onderkant. Ze vroeg zich af of hij er over meer dan vijftig meter ooit een doelwit mee kon raken. Aan de andere kant was hij vast aan de onregelmatigheden van zijn boog gewend en calculeerde hij die bij het afschieten van zijn pijlen misschien wel in. Bovendien waren ze minder dan vijftig meter van de man verwijderd, dus leek het haar geen goed plan om af te wachten of ze het bij het juiste eind had. Razendsnel en met een katachtige lenigheid deed ze met haar linkervoet een flinke pas vooruit, terwijl ze de slinger in haar rechterhand over zijn volle lengte achter haar lichaam liet hangen. Meteen daarna zwiepte ze die over haar schouder heen en volgde ze de beweging door haar rechterbeen ook naar voren te zetten. Het was een soepele, elegant uitgevoerde actie, waarmee ze haar been, haar lichaam en haar arm achter de kracht in de worp met de slinger legde. De loden bal suisde weg, te snel om met het blote oog te kunnen zien, en sloeg tegen het bovenste uiteinde van de boog aan. De bovenkant was het zwakste gedeelte en die was ook het verst gebogen. Door de plotselinge klap van het loden balletje werd dat deel van de boog versplinterd. Door het plotselinge wegvallen van de spanning van de boog leek het alsof zich in de handen van de man een ontploffing voordeed. Het geraakte uiteinde brak af en zou op de grond zijn gevallen als de gespannen pees van de boog het niet had teruggetrokken en de man vol op zijn kin raakte en hem een fikse jaap in zijn wang bezorgde. Hij schreeuwde het uit en wankelde naar achteren. Hij liet de kapotte boog vallen en bracht een hand naar zijn gezicht om het plotselinge bloeden te stelpen. Hij wist niet precies wat er net was gebeurd. Het was allemaal te snel gegaan om het goed te kunnen zien. Maar hij wist wel dat het de schuld was van dat slanke meisje naast dat groezelige paard. Vastbesloten om wraak te nemen trok hij het lange mes dat aan zijn riem hing en stormde op het meisje af. ‘Ze leren het ook nooit,’ verzuchtte Maddie. Ze legde een volgend loden balletje in haar slinger en zwaaide die naar de man toe. Het raakte hem op de uiterste punt van zijn schouder, waar het zijn bot verbrijzelde en een grote vleeswond veroorzaakte. Het mes viel uit zijn handen en hij bleef stilstaan, wankelend, helemaal van de kaart door de schrik en de plotselinge pijn. Langzaam zakte hij op zijn knieën. Hij probeerde met zijn linkerhand de pijn in zijn gebroken schouder enigszins te verminderen, maar hij klapte dubbel, tot zijn hoofd de grond raakte. Intussen klonk er uit zijn mond steeds maar weer een zacht gekreun. ‘Heks!’ schreeuwde zijn metgezel. Hij hief de knuppel boven zijn hoofd en stormde op Maddie af. Ze legde rustig een volgend balletje in haar slinger en wachtte hem op. Maar Ingrid was haar te snel af. Ze gaf haar paard de sporen en pakte tegelijk haar karwats bij het dunne uiteinde beet. De man zag haar aankomen en draaide zich naar haar toe. Hij haalde wild uit met zijn knuppel, maar ze stuurde haar paard met haar knie een beetje bij, waardoor ze de klap ruimschoots ontweken. Meteen daarna, voordat hij zich kon herpakken, stuurde ze haar paard weer terug. Ze hing een beetje schuin in haar zadel en gaf de man met de stenen knop van haar karwats een ferme tik op zijn leren pet. Hij keek haar stomverbaasd aan. Meteen daarna werd zijn blik glazig en klapte hij dubbel, alsof er ineens geen lichaam meer in zijn kleren zat. Bewusteloos zakte hij op het bospad in elkaar. Nu ze twee van hun drie aanvallers onschadelijk hadden gemaakt, richtte Maddie haar aandacht op de man achter hen. Hij aarzelde, realiseerde zich dat de twee meisjes zijn beide kameraden binnen enkele tellen hadden uitgeschakeld, en besloot ervandoor te gaan. ‘Bumper,’ zei Maddie rustig, en ze wees op de wegrennende man. Haar paard schoot als een pijl uit een boog weg. Het verbaasde Maddie elke keer weer hoe gauw de Jagerspaarden vanuit stilstand hun topsnelheid konden bereiken. Hij liep vrijwel meteen flink in op de vluchtende struikrover. Als de boef zo slim was geweest om tussen de bomen weg te duiken had hij wellicht nog een kans gemaakt, maar hij koos ervoor op het pad te blijven en daarna door het open veld te vluchten. Hij had dat veld nog maar net bereikt toen Bumper hem inhaalde. Het paard maakte zijn naam waar door met zijn schouder tegen de man aan te lopen. Door de duw tuimelde de man voorover in het gras, waar hij nog een stukje doorrolde voordat hij weer overeind kon komen. In zijn rol had hij met zijn schedel nogal hard de grond geraakt en nu stond hij een beetje op zijn benen te tollen. Hij schudde even met zijn hoofd. Het kleine paard stond een paar meter bij hem vandaan, met gespitste oren, en keek hem nieuwsgierig aan. Wat was je verder van plan?, leek het dier hem te vragen. De struikrover kon zich niet aan de indruk onttrekken dat het paard de hele situatie wel grappig vond. Hij liet zijn hand naar het mes aan zijn riem zakken. Bij zijn val had hij zijn lange speer moeten loslaten, en die lag nu ergens uit het zicht in het hoge gras. Hij haalde het mes uit de schede en liep voorzichtig naar het paard toe, terwijl hij zich binnensmonds beklaagde over alle tegenslag waarmee deze overval gepaard ging. ‘Zo is het wel genoeg.’ Hij hoorde de waarschuwing van Maddie luid en duidelijk en draaide zich om naar de plek waar het pad het bos in liep. Ze was in alle rust achter Bumper aan gelopen en stond nu aan de bosrand. Haar slinger, waar ze alweer een volgend loden balletje in had gelegd, hing dreigend in haar rechterhand en zwaaide ter hoogte van haar rechterknie langzaam heen en weer. De derde bandiet had niet precies kunnen zien hoe Maddie zijn metgezel met twee welgemikte worpen had uitgeschakeld. De paarden hadden zijn zicht op de gebeurtenissen enigszins belemmerd. Hij begreep daardoor niet goed wat de dreiging was van het wapen dat naast haar lijf heen en weer slingerde, en dus bleef hij ondanks haar woorden op Bumper af lopen. ‘Ik waarschuw nog één keer,’ riep Maddie. Haar stem klonk nu scherper. Hij keek haar even aan en lachte schamper. ‘Ik zou je paard maar gauw terugroepen, juffie,’ antwoordde hij. ‘Anders steek ik hem neer.’ Maddie zuchtte. Ze had hem een eerlijke kans gegeven. Will had haar jarenlang ingeprent dat je het daar in dit soort situaties bij moest laten. Geef je vijand één kans om zich over te geven. Meer niet. Daarna moet je optreden. De struikrover zette nog een stap in de richting van Bumper, en sprak het paard intussen toe op een lieflijk bedoelde toon. ‘Kom maar, paardje… braaf paard. Blijf maar rustig staan, dan haal ik je open met dit mes… zo ja, blijf staan… Aaaauuuw!’ De kreet was een reactie op een loden balletje, dat hem zo hard op zijn onderarm raakte dat de botten daar doormidden braken. Het mes viel uit zijn plotseling gevoelloze hand en hij greep met zijn linkerhand naar zijn andere arm. De schrik en de pijn waren zo hevig dat hij zich van narigheid diep voorover boog. Maddie borg de slinger in alle rust weer onder haar riem op, haalde haar sax tevoorschijn en liep op de kreunende, voorovergebogen man af. Hij hoorde haar aankomen en keek even op. Er rolden tranen van schrik en pijn over zijn vieze, ongeschoren wangen. ‘Je hebt mijn arm gebroken!’ zei hij op beschuldigende toon. Maddie kon bij het horen van zijn verontwaardiging een glimlach niet onderdrukken. Kijk hem daar nou staan, dacht ze, een mislukte struikrover die van plan was geweest twee ogenschijnlijk onschuldige meisjes te overvallen, en nu had hij ook nog het lef om zich als een pechvogel te gedragen. Het verbaasde haar altijd weer hoeveel boeven onder dit soort omstandigheden deden alsof ze onschuldige slachtoffers waren. ‘Ik had je ook op je hoofd kunnen raken,’ zei ze zonder een greintje medeleven. Ze prikte hem met de punt van haar sax in zijn achterwerk. Hij schoot geschrokken vooruit, maar begon meteen weer te jammeren van de pijn die dat in zijn gebroken arm veroorzaakte. ‘Lopen jij,’ gebood Maddie, en ze gebaarde naar het pad dat het bos in leidde. De struikrover bleef kreunen en klagen, maar gehoorzaamde wel. Een stukje verderop in het bos bereikten ze zijn twee makkers, die beiden aan de voet van een dikke eik zaten. Ingrid hield ze in de gaten. In haar ene hand hield ze haar omgekeerde karwats, in haar andere haar dolk. De mannen waren echter veel te ontmoedigd om hun beoogde slachtoffers nog enig verzet te bieden. Ze keken toe hoe Maddie hun kameraad naast hen tegen de eikenboom duwde, waarbij hij meteen weer begon te kreunen. De man die door Ingrid buiten westen was geslagen was weer bijgekomen, maar uit de wazige blik waarmee hij de wereld in keek maakte Maddie op dat hij wel een flinke hersenschudding moest hebben. Ze tikte haar sax tegen haar been en bekeek de drie eens wat beter. Wat moest ze nou met die drie? Ze konden ze moeilijk meenemen, maar ze was ook absoluut niet van plan ze weer vrij te laten. ‘Goed,’ zei ze abrupt. ‘Uitkleden.’ Geen van drieën bewoog. In plaats daarvan keken ze haar vragend aan. Uiteindelijk nam de boogschutter het woord. ‘Uitkleden? Onze kleren uit doen? Alles?’ Maddie schudde ongeduldig haar hoofd. ‘Dat dacht ik niet. Met zo’n onaangenaam beeld wil ik Ingrid niet lastigvallen. Jullie broek en jullie hemd. Ondergoed aanhouden.’ Ze deden nog steeds niks, dus spoorde Maddie ze wat verder aan. ‘Hup, opschieten jullie!’ Dit keer deden ze wel wat er van hen werd gevraagd. De twee mannen met gebroken armen hadden de grootste moeite om hun vieze bovenkleding uit te trekken, en wat eronder vandaan kwam was al even smerig om te zien. Ze hadden zich overduidelijk al dagenlang niet gewassen en hun ondergoed zat vol gaten en rafels. Maddie schopte de uitgetrokken kleren een eind bij de mannen vandaan op een hoopje. ‘Schoenen ook uit,’ gebood ze, en opnieuw gehoorzaamden ze met tegenzin. Ingrid keek vol verbazing toe. ‘Zit hier ook nog een gedachte achter?’ vroeg ze zachtjes. Maddie keek haar heel even aan en knikte. ‘Zo voelen ze zich kwetsbaarder en dan doen ze wat makkelijker wat je ze opdraagt. Als ze geen kleren meer aanhebben, hebben ze meestal ook geen praatjes meer – zeker tegenover twee meisjes.’ ‘Ik word er een beetje licht in mijn hoofd van,’ zei Ingrid. ‘Ruik jij wat ik ruik?’ Ze had gelijk. Nu ze geen kleren meer aanhadden, kon hun onaangename lichaamsgeur zich ongehinderd verspreiden. ‘Daar kunnen wij verder weinig aan doen,’ zei Maddie. Ze boog zich voorover en pakte de man met de hersenschudding bij zijn polsen. Ze vouwde die achter zijn rug en bond zijn duimen met een leren veter aan elkaar vast. Daarna deed ze hetzelfde bij zijn metgezellen, wat weer tot een hoop gejammer leidde omdat ze hun gebroken armen moest buigen – en dat deed ze allesbehalve voorzichtig. ‘Lieve help! Dat doet pijn!’ jammerde de man die ze als laatste hadden geveld. Maddie keek hem onbarmhartig aan. ‘Zo gaat dat met mannen die hulpeloze meisjes proberen te overvallen.’ Ingrid glimlachte. Ze kon zich moeilijk een minder hulpeloos meisje voorstellen dan haar meesteres. ‘En nu alle drie tegen die boom aan,’ ging Maddie verder en ze gebaarde naar de eikenboom. Ze schuifelden langzaam achteruit, tot ze er alle drie met hun rug tegenaan zaten. Maddie haalde een stuk touw tevoorschijn en wikkelde dat om de boom heen, ter hoogte van hun kelen, precies zo strak dat ze niet meer konden bewegen maar nog wel lucht kregen. Ze zaten nu aan de boom gebonden en ze konden zich niet bewegen zonder zichzelf of hun kameraden te verstikken. Daardoor én door hun gebroken botten konden ze het touw ook met geen mogelijkheid losmaken. ‘Laten we ze zo achter?’ vroeg Ingrid. Ze had het hele tafereel met toenemende verbazing gadegeslagen, en ze vroeg zich af hoe vaak Maddie als leerling-Jager al op deze manier had ingegrepen. Ze wist wat ze deed, dat was wel duidelijk. Het was vast niet de eerste keer dat ze gevangenen zo onschadelijk maakte. Maddie voelde nog een keer aan het touw en deed toen een stap achteruit. De mannen konden geen kant op. Daarna dacht ze even over Ingrids vraag na. ‘Het is heel verleidelijk,’ antwoordde ze. ‘Er zitten ongetwijfeld wolven en beren in dit bos. Die zouden dit probleem prima voor ons kunnen oplossen.’ Ze zag de geschrokken en angstige blikken van de drie struikrovers. ‘Maar laten we maar wat genade met ze hebben. Op een halfuur rijden hiervandaan is een landhuis. We zullen de plaatselijke landheer vragen of een paar van zijn mannen deze drie schoonheden willen komen ophalen en in zijn gevangenis willen stoppen.’ @BRK#Ze reden een kwartier verder, tot ze een rustig plekje vonden waar Maddie zich kon omkleden. Ze borg haar Jagerskleren en haar mantel op in een grote zadeltas en trok in plaats daarvan een keurig tweedelig ruiterpakje aan, met eronder een linnen hemd en eroverheen een chic leren jasje. Zo zag ze er ineens een stuk meer uit als een prinses. Ze haalde het zadel van Bumpers rug en verwisselde die met het pakzadel van Zonnedanser. ‘Het spijt me,’ zei ze zachtjes tegen Bumper. Ze vond het eigenlijk beneden zijn stand dat hij haar bagage moest sjouwen. Hij snoof. Zonnedanser bleek het daarentegen heerlijk te vinden dat hij van de bepakking was verlost en weer als rijpaard dienst kon doen. Hij hinnikte tevreden toen hij Maddie op zijn rug voelde klimmen. Een paar kilometer verderop kwamen ze door een mooi verzorgd dorpje, waar ze bij het landhuis vlak tegen de buitengrens aan stopten. De plaatselijke landheer, een oudere ridder, haastte zich naar buiten nadat Maddie zichzelf bij zijn butler had aangediend. Hij had blijkbaar net aan de lunch gezeten, want hij had nog een groot wit servet om zijn hals en er zaten allemaal kruimels in zijn baard. Zodra Maddie afstapte boog hij diep voor haar. Hij knoopte haastig het servet los en probeerde het uit alle macht achter zijn rug te verstoppen. ‘Vrouwe,’ zei hij, ‘welkom in Tonnerbrug. Ik ben heer Gerald Wolden en dit is mijn landhuis. Kan ik u iets te eten en te drinken aanbieden? Of zoekt u een slaapplaats?’ Maddie schudde haar hoofd. ‘Dank u, maar dat is niet nodig. Ik wil graag zo snel mogelijk door naar kasteel Araluen. Maar er is wel iets wat u voor me kunt doen.’ Ingrid zag hoe makkelijk Maddie zich de zelfverzekerde, dominante houding van een prinses had aangemeten. De oudere ridder boog voortdurend onderdanig voor haar. ‘Wat u maar wilt, hoogheid,’ zei hij gretig. ‘Vraagt u maar.’ ‘We hebben een paar kilometer geleden drie gewonde mannen in het bos achtergelaten. Wilt u die kwestie namens mij afhandelen?’ ‘Uiteraard, hoogheid! Ik zal een paar van mijn bedienden naar ze toe sturen.’ Maddie dacht even na. ‘Ik heb eigenlijk liever dat ze door een paar gardisten worden opgehaald en gearresteerd,’ zei ze toen. ‘Het zijn struikrovers en ze hebben geprobeerd ons te overvallen.’ De oude ridder sloeg van schrik zijn hand voor zijn mond. ‘Overvallen? Maar gaat het wel goed met u? Bent u gewond?’ ‘Nee hoor,’ stelde Maddie hem gerust. ‘Mijn reisgenote sloeg hun aanval af. Zij staat haar mannetje wel.’ De ridder keek enigszins verward naar Ingrid. Ze was slank en allesbehalve gespierd. Hij kon zich niet voorstellen dat zij drie struikrovers had overmeesterd. ‘Ik zal met ze afrekenen, hoogheid,’ verzekerde hij Maddie. Hij wreef even over zijn kin, waardoor er wat kruimels op de grond vielen. ‘Meestal hangen we dieven hier op.’ Maddie fronste haar voorhoofd. ‘Dat lijkt me wel een beetje overdreven. Ik zou ze een tijdje in de gevangenis stoppen en daarna een maand of drie al het zware werk in het dorp laten uitvoeren. Dat zal ze leren.’ ‘Het komt voor elkaar, hoogheid,’ zei hij. ‘Maakt u zich geen zorgen, want er is hier meer dan genoeg te doen.’ Hij was nog steeds vol ongeloof als hij terugdacht aan de drie boeven die de prinses hadden willen overvallen. ‘Heel zwaar werk.’ ‘Dank u, heer Gerald. Ik stel uw hulp zeer op prijs. Dan kunnen wij gauw doorreizen.’ Ze liep weer naar de paarden en wilde zoals altijd op Bumpers rug klimmen. Hij deed een pasje bij haar vandaan en snoof even. Daardoor wist ze weer wat haar te doen stond en klom ze op Zonnedanser. ‘Daar moet ik mee uitkijken,’ zei ze in zichzelf terwijl ze het terrein om het landhuis af reden.