HOOFDSTUK 1 @BRK#Ze naderden de verstopplaats van Maddie. Ze waren met z’n twaalven en vormden samen een lint, telkens op vijf meter afstand van elkaar, waardoor ze zestig meter van het terrein konden doorzoeken. Ze hadden allemaal een fakkel bij zich, die ze zo ver mogelijk omhooghielden om de langzaam invallende duisternis het hoofd te bieden. De zoekende mannen kwamen recht op haar af. Als ze door de linie heen kon breken of kon zorgen dat ze ongezien bleef, was ze vrij. ‘Verstopplaats’ was eigenlijk een beetje overdreven. Maddie lag namelijk gewoon op de grond tussen het kniehoge, half uitgedroogde gras, van top tot teen verborgen onder haar mantel. In de velden links en rechts van waar ze lag, stond het gras zachtjes in de avondwind te wuiven en kwam het wel tot heuphoogte. Daar had ze zich beter verborgen kunnen houden voor de twaalf mannen die haar zochten. Maar ze had niet voor niets voor het kortere gras gekozen. De mannen verwachtten natuurlijk dat een vluchteling ervoor zou kiezen om zich in zo hoog mogelijk gras te verstoppen en dus zouden ze daar het hardst zoeken. Het kortere gras waar ze nu lag bood weliswaar minder dekking, maar de twaalf zouden daar ook minder nauwkeurig zoeken omdat ze aannamen dat ze iemand die daar lag toch wel zouden zien. Dat hoopte Maddie althans toen ze deze route door de zoeklinie koos. De velden aan weerszijden van haar waren bovendien smaller, waardoor de zoekende mannen daar dichter bij elkaar zouden lopen. En omdat ze verwachtten dat ze zich daar zou verstoppen, zouden ze daar beter opletten of er gekke dingen op de grond lagen. Zoals iemand die zich onder een grijsgroene Jagersmantel probeerde te verstoppen. Ook het afnemende daglicht was in haar voordeel. De zon was al achter de horizon verdwenen en een rode gloed aan de westelijke hemel zorgde voor lange schaduwen en langzamerhand meer schemering. Het licht van de fakkels hielp de speurders ook niet erg, want het flakkerde en het was instabiel, waardoor hun zicht nooit echt goed werd. Ze merkte dat de gele gloed van een van de fakkels vlakbij was. De verleiding om even snel op te kijken was vrijwel onweerstaanbaar, maar ze hield zich in. Voordat ze de poging om door het cordon heen te breken begon, had ze haar gezicht met modder en vuil zo donker mogelijk gemaakt, maar in de schemering zou het toch bleek afsteken. Bovendien zou elke beweging de aandacht trekken. En dus bleef ze liggen, met haar gezicht naar beneden en met haar ogen gericht op de stoppeltjes gras vlak voor haar neus. Ze zag dat het gele licht van de fakkel voor trillende schaduwen achter de sprieten zorgde. Naarmate het licht dichterbij kwam werden de schaduwen korter. Haar hart klopte in haar keel toen ze het ritselen van laarzen in het gras hoorde. Ze voelde het bloed door haar hoofd suizen. Vertrouw op je mantel. De eeuwige mantra, die haar mentor haar net zo lang had laten herhalen tot het in haar hersenen gegrift stond, gonsde door haar hoofd. De zoeker kon haar hart niet horen kloppen. Dat was een geruststellende gedachte. En als ze doodstil bleef liggen zou hij haar ook niet zien. De mantel zou haar beschermen. Dat was vroeger altijd zo geweest, en dat zou nu weer zo zijn. ‘Ik heb je gezien! Sta maar op en geef je over!’ De stem was heel dichtbij, op hooguit drie meter afstand. En hij klonk heel overtuigend. Heel even had ze de neiging aan de oproep gehoor te geven en op te staan. Maar net op tijd herinnerde ze zich de woorden van Will, toen hij haar had geleerd hoe je het beste ongezien kon blijven. Ze zullen proberen je erin te laten lopen. Dan roepen ze dat ze je gezien hebben. Trap er niet in. En dus bleef ze bewegingloos liggen. Weer hoorde ze de stem: ‘Kom dan! Ik zei toch dat ik je gezien heb!’ Maar het klonk niet zo zelfverzekerd als de vorige keer. Er weerklonk twijfel in, alsof de spreker zelf ook wel begreep dat zijn truc was mislukt – of dat er zich in het halfhoge gras helemaal niemand schuilhield. Na een paar tellen stilte hoorde ze de man zachtjes vloeken en weer langzaam verder lopen. Zijn laarzen kraakten op de grassprieten en ze voelde dat hij haar al voorbij was – wat betekende dat hij recht voor zich uit keek en dus niet haar richting op. Ze zag hoe de dunne streepjes schaduw weer langer werden en naar links bewogen. De man liep dus naar rechts. Ze merkte dat ze haar adem al een hele tijd had ingehouden en blies die nu langzaam uit. De spanning in haar lijf werd meteen minder. Haar hartslag zakte van een wilde galop terug naar een wat beheerstere draf. Over een paar minuten zou hij haar voorbij zijn en kleine geluiden van haar niet meer kunnen horen. Ze wachtte en telde in zichzelf langzaam tot honderdtwintig en luisterde naar het geleidelijk wegstervende ruisen van de laarzen in het gras, tot ze ze niet meer kon horen. Ze spande haar spieren. Toen ze zich op de grond had laten vallen, was haar linkerarm gestrekt naar voren terechtgekomen en haar rechter onder haar lichaam. Ze wilde zich nu met die rechterarm een paar centimeter opdrukken, zodat ze langzaam van haar schuilplaats kon wegkruipen. Ze zette met haar rechterarm voorzichtig af en voelde het stekelige gras pijnlijk in haar handpalm prikken. Het zou fijn zijn als ze haar hand een klein stukje kon verschuiven naar een wat prettigere positie, maar ze wist dat ze dat beter niet kon doen. Met onnodige bewegingen kon ze haar positie verraden. Ze moest het ongemak maar op de koop toe nemen. Ze zou haar arm natuurlijk wel bewegen als ze over de grond probeerde weg te tijgeren, want als ze hier niet voor altijd wilde blijven, moest dat nu eenmaal gebeuren. Ze begon haar spieren aan te spannen om weg te komen. Maar stopte meteen weer. In het gras vlak voor zich hoorde ze iets, een vaag en nauwelijks waarneembaar geluid. En hoe zacht het ook geweest was, het deed haar denken aan een andere goede raad die Will haar had meegegeven. Soms werken ze met een laatste man, hoorde ze zijn rustige stem vanbinnen tegen haar praten. Nog een zoeker, een meter of tien achter de linie aan, die uitkijkt naar mensen die de eerste speurtocht hebben doorstaan en tevreden willen opstaan. Het is een stokoude list, maar je moest eens weten hoeveel mensen erin trappen. Ze ontspande zich weer en wachtte, opnieuw met haar gezicht naar beneden. Daar hoorde ze het geluid nogmaals, en nu herkende ze het. Degene die eraan kwam tilde zijn voeten bij elke stap hoog op en zette die dan plat op de grond, zodat het ruisen door het gras of het over de grond schuifelen van een laars hem niet kon verraden. Ze had zelf ook geleerd om op die manier te lopen als ze zo stil mogelijk moest doen en ze begreep dat deze laatste man de kunst van het geluidloos voortbewegen heel goed beheerste. Ze spitste haar oren, op zoek naar een geluidje waaruit ze kon opmaken hoe dichtbij hij was en uit welke richting hij kwam. Ze vermoedde dat hij iets rechts van haar liep en diagonaal door het veld bewoog, zodat hij vlak langs haar zou komen. En voorlopig zag ze nog geen enkel teken van een fakkel. Ze beet van frustratie op haar lip. Met een fakkel had hij flakkerend, ongelijk licht gehad, wat haar alleen maar meer kans had gegeven om zich verborgen te houden. Het licht van de fakkel vlak bij zijn gezicht zou er bovendien voor zorgen dat hij maar weinig van zijn omgeving kon zien. Nu het bijna helemaal donker was, had de zoeker eigenlijk vooral last van een fakkel. Hij was vlakbij. Hoe goed hij zijn best ook deed om stil te zijn, Maddie hoorde allerlei kleine geluidjes. Doordat hij gelijkmatig en ritmisch voortbewoog kon ze hem volgen. En toen ze eenmaal zijn ritme doorhad, wist ze wanneer ze de volgende nauwelijks hoorbare voetstap kon verwachten. Hij was nu heel dichtbij. Maar hij liep voor haar langs, ging links aan haar voorbij en ze wist dat ze aan hem was ontsnapt. Ze merkte dat zijn volgende stap bij haar vandaan ging en kon een gevoel van triomf nauwelijks onderdrukken. Nog drie stappen die kant op en ze was vrij. Maar om een onverklaarbare reden liep hij plotseling weer terug en bewoog hij zich parallel aan waar ze lag. Haar hartslag vloog weer omhoog, want ze begreep dat hij haar nu wel erg makkelijk kon vinden. Ineens voelde ze zijn voet boven op haar linkerhand. Door zijn manier van lopen kwam zijn volle gewicht erop, wat een snijdende pijn veroorzaakte. ‘Au!’ Het was eruit voor ze er erg in had. Door de pijn probeerde ze onwillekeurig haar hand weg te trekken, net op het moment dat hij zijn voet wilde weghalen omdat hij voelde dat hij op iets hobbeligs stond. De laatste man slaakte een triomfantelijke kreet, en meteen daarna voelde ze een ijzeren greep op de achterkant van haar mantel, pal onder de kap, en trok hij haar overeind. ‘Hebbes!’ zei hij met onverholen tevredenheid. Hij draaide haar om tot hij haar gezicht kon zien. Tegelijk riep hij de andere zoekers: ‘Hier! Ik heb hem!’ Hij schoof haar kap naar achteren en bekeek haar gezicht wat beter. ‘Kijk nou, jij bent geen “hem”, hè?’ zei hij. ‘Ben jij niet die leerling van Will Verdrag? Ja, hè? Dan ben je een héél mooie vangst.’ Ze spartelde nog even tegen in de hoop zich los te worstelen, maar ze wist dat deze oefening voor haar voorbij was. De overige zoekers hadden de kreet van de man gehoord. Ze kwamen snel om hem en zijn prooi heen staan, en de fakkels verlichtten hun lachende gezichten. ‘Pech gehad,’ zei een van hen, een knappe vierdejaarsleerling. ‘Het was je bijna gelukt.’ Hij knikte in de richting van de rand van het veld en ze kon ondanks de ijzeren greep van haar overwinnaar net ver genoeg draaien om te kijken waar hij op doelde. Ze was nog geen vijftig meter verwijderd van het hutje dat ze voor haar opdracht had moeten bereiken. Het was dat die lompe laatste man met zijn grote poten op haar hand was gaan staan, anders had ze het gehaald. En dan zou ze haar eindejaarsopdrachten allemaal met succes hebben volbracht. @BRK#Honderd meter verderop bekeken Will Verdrag en Gilan vanaf een heuvel toe hoe de zoekers zich in het grasveld om Maddie en haar veroveraar verzamelden. Zelfs van deze afstand en in deze schemering zorgden de fakkels voor voldoende verlichting om te kunnen zien hoezeer Maddie baalde. ‘Dat was pure pech,’ zei Gilan. ‘Ze was er bijna. En ze deed alles goed.’ ‘Nou, tot het moment waarop ze keihard “au!” riep in elk geval wel,’ lachte Will. Gilan keek zijn oude vriend van opzij aan. ‘Dat zei ik, pure pech.’ ‘Halt zei altijd dat een Jager zijn geluk afdwingt,’ antwoordde Will. ‘Ik zou bijna denken dat je blij bent dat ze haar te pakken kregen,’ zei Gilan. Will haalde zijn schouders op. ‘Nou, blij niet. Maar ik vind het ook weer niet zó erg,’ gaf hij toe. ‘Ze was op weg naar de perfecte score, en dat had ik liever niet gehad. Dat was niet goed voor haar ego geweest.’ Hij aarzelde even. ‘En ook niet voor mij.’ ‘Je weet geloof ik waar je het over hebt, hè?’ vroeg Gilan. Will knikte. ‘Ze had aan het eind van haar tweede jaar een perfecte score,’ zei hij. ‘En dat heb ik drie maanden lang moeten aanhoren. Elke keer als ik haar probeerde te verbeteren of wilde uitleggen dat ze iets misschien beter op een andere manier kon doen, ging ze tegen me in. Ze kan namelijk nog weleens koppig zijn.’ Gilan knikte. ‘Klopt. Maar je moet toegeven dat ze heel goed is.’ ‘Ja, dat is waar. Maar ze is ook een kind van haar moeder. Kun je je voorstellen hoe Evanlyn zich had gedragen?’ Dit keer schoot Gilan in de lach. ‘Je praat toch niet op een neerbuigende manier over hare koninklijke hoogheid prinses Cassandra, hè?’ Hij vond het vooral grappig dat Will de prinses altijd maar bleef aanspreken bij de naam waar ze naar luisterde toen ze elkaar voor het eerst hadden ontmoet. Will knikte instemmend. ‘Jazeker wel,’ zei hij. ‘Hoe vaker ik naar Maddie kijk, hoe meer ik haar moeder in haar zie.’ ‘En dat verklaart natuurlijk waarom ze zo ambitieus is,’ stelde Gilan vast. ‘Inderdaad,’ stemde Will in. Hij kwam overeind en leunde even tegen een boomstam. De zoekers en hun prooi liepen terug naar het verzamelveld. De rij fakkels vormde in het duister een vrolijk dansend lint van lichtjes. ‘Kom, we gaan ook naar het kamp,’ zei hij. ‘Dan kunnen we even naar de nabespreking luisteren.’